Al een ruime tijd droomde ik ervan om te voet naar Compostela te gaan. Ik zou vertrekken vanuit Frankrijk, liefst aan de voet van de Pyreneeën. De tijd die ik hieraan wou besteden zou ongeveer een maand, maximum anderhalve maand zijn. Een tocht vanuit Hoevenen - minstens drie maanden stappen - vond ik te lang; vooral omdat Rita niet van plan was mee te gaan. Zij zag het niet zitten om dagelijks twintig kilometers en meer te stappen.
Vrienden - Karel en Jaklien - wisten mij te vertellen dat ze via ‘Anders Reizen’ een deel van de Camino – zo heet de pelgrimstocht naar Compostela – hadden gestapt vanuit Astorga. Karel moedigde mij aan de tocht te ondernemen en hoopte om samen met mij dit nog eens te kunnen overdoen, maar dan de volledige toer.
De verhalen die ik van deze mensen te horen kreeg maakten mij nieuwsgierig, waardoor mijn enthousiasme meer en meer werd aangewakkerd. Uit voorzorg liet ik mij als lid aansluiten bij het Vlaamse Compostela Genootschap. Hierdoor hoopte ik aan heel wat bruikbare informatie te geraken. Een tijd later werd ik uitgenodigd op een info-dag die plaats vond in het Theologisch en Pastoraal Centrum (TPC) te Wilrijk, waar het seminarie van Antwerpen is gehuisvest. Daar werden we door zeer veel enthousiaste mensen overladen met zowel historische als praktische informatie. Aan de boekenstand die zij daar hadden opgesteld kocht ik mijn wandelgids: ‘A practical Guide for Pilgrims - The Road to Santiago’ . Daar dit werk niet in het Nederlands verkrijgbaar was, kocht ik de Engelse versie. Hierdoor kon ik het Engels nog wat opfrissen. Naargelang de tijd vorderde, lieten al diegenen die aanvankelijk zouden meegaan, het systematisch afweten. Uiteindelijk schoot er niemand meer over en besloot ik dan maar alleen te gaan. Dit vond Rita niet zo’n goed idee. Indien met mij onderweg iets zou gebeuren, zou ik er alleen voorstaan.
Bij Sonja de coiffeuse in de straat, vernam zij dat haar schoonbroer - met name Georges - eveneens deze tocht zou willen ondernemen. Rita raadde mij aan zijn telefoonnummer te vragen. Een uur later nam ik met Georges telefonisch contact op en het duurde niet lang of we hadden reeds een afspraak gemaakt voor ’s anderendaags bij mij thuis. Tijdens onze eerste ontmoeting klikte het tussen ons en we zagen het best zitten om samen op weg te gaan. Kort daarop hebben we enkele tochten gedaan; de rugzak op de rug en de wandelstokken in beide handen. Rita vond het een gek gezicht ons hier in Hoevenen en omstreken zo te zien rondlopen. Wij trokken het ons niet aan. Er is niets zo goed dan vooraf te oefenen. Kort voor we vertrokken zijn we nog eens in de Ardennen – in de omstreken van La Roche - gaan stappen. Hierdoor konden we de invloed van de bergen in onze benen ervaren. Al bij al viel dit best mee en beleefden we een zeer gezellige dag.
Begin lente 2004 zijn Georges, Rita en ik samen naar de lenteontmoeting in Westerlo geweest, die eveneens werd georganiseerd door het Vlaamse Compostela genootschap. Hier kwam vooral het thema van de thuisblijvende echtgeno(o)t(e) aanbod. Na het middagmaal, tijdens een eucharistieviering, werden de aspirant-pelgrims rond het altaar uitgenodigd om gezegend te worden. Het was een mooie en serene plechtigheid. Het was ook voor Rita een zeer verrijkende dag. Kort daarop waren we te gast bij Georges en Liliane voor een drink en een knabbel. We leerden elkaar beter kennen en het werd een hele gezellige avond. Om onze treinreis te plannen had Georges reeds de nodige informatie ingewonnen. Bij mij thuis hebben we via internet deze info vergeleken met wat daar op de site van NMBS te vinden was en enkele dagen later heeft Georges in Berchem nog verder zijn licht gaan opsteken.
Uiteindelijk planden we ons vertrek op dinsdag 18 mei 2004 richting Saint-Jean-Pied-De-Port, gelegen in het Frans Baskenland aan de voet van de Pyreneeën. We kozen een dinsdag uit omdat er dan minder forensers onderweg zijn dan ’s maandags en hierdoor de kans groter is dat het er rustiger aan toegaat. Enkele dagen later zijn we naar het station van Berchem gegaan om onze treintickets van Berchem naar Brussel-Zuid, van Brussel-Zuid naar Bordeaux St. Jean en van Bordeaux St. Jean naar Bayonne te kopen. De biljetten voor de rit met het bergtreintje van Bayonne naar Saint Jean-Pied-de-Port waren enkel in het station van Bayonne of op de trein te verkrijgen. Om zeker voor de eerste nacht een slaapgelegenheid te hebben, telefoneerde ik met de refugio in Untto. Aparte kamers waren niet meer vrij, wel konden we elk een bed reserveren in een grotere slaapruimte en dat heb ik dan voor ons beide vastgelegd. Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht...
Als afscheidsgeschenk voor mijn dertien jaar koken tijdens de bivakken van Chiro Regenboog, kreeg ik bij het kampvuur tijdens het bivak 2003 te Hechtel-Eksel waardebonnen voor de aanschaffing van een rugzak. Met nieuwjaar kreeg ik nog een soortgelijk geschenk en hierdoor kon ik mij niet alleen een aangepaste rugzak, maar ook een gamma van speciaal snel-drogend ondergoed en kledij aanschaffen. Om toch maar zeker niets te vergeten hebben Rita en ik – soms tot vervelens toe - alle grote sportwinkels in het Antwerpse afgeschuimd op zoek naar goedkoop en toch degelijk materiaal. Met Georges had ik geregeld contact om wederzijdse ervaringen uit te wisselen en om zeker te zijn dat we niets over het hoofd hadden gezien. Van mijn vrienden Matte en Astrid kreeg ik twee degelijke wandelstokken. Eveneens mocht ik van de Matte zijn legerponcho gebruiken, die mij bescherming zou bieden bij regenweer. Alfi – een kozijn van Rita uit Canada – raadde mij aan een ‘Thilly hat’ aan te schaffen. Deze hoed zou mij zowel voor de zon als voor de regen beschermen. Ik liet niets aan het toeval over en dank zij de hulp van deze mensen beschikte na een tijd over een degelijke uitrusting.
Om mijn fysiek op peil te houden, plande ik elke week op maandag en op donderdag een wandeling van ca 20 km. Met ons Betty en mijn vroegere collega John ging ik regelmatig op stap. Meestal wandelden we van Hoevenen via het bos van Moretus naar Heide om vandaar naast de spoorweg via Kapellen in Hoevenen te belanden. Het gebeurde af en toe dat wij naar Betty reden om in Beveren te gaan stappen. Daar volgden we de St. Anneke’s fietsroute. Elke donderdag reden Rita en ik naar haar vader in Berchem. De lieve man woont niet ver van het vliegveld van Deurne. Van daar ging ik dan te voet naar huis. Via het Rivierenhof stapte ik naar Merksem om vervolgens door de Oude Landen in Ekeren te belanden. Van daaruit zette ik mijn weg verder via het Vloeiende richting Hoevenen.
Af en toe gingen we tijdens het weekend op stap met Matte en Astrid en/of met Karel en Jaklien. Deze wandelingen van ongeveer 12 tot 16 km waren georganiseerd door wandelverenigingen. Door al dat stappen kreeg ik ook de gelegenheid mijn wandelschoenen in te lopen en de laatste maanden aan mijn wandelkledij en rugzak gewoon te worden.
Elke dag van mijn reis nam ik notities van de ervaringen die ik had opgedaan. Ik deed het gewoonlijk in de namiddag op de rand van het bed, in de refugio waar ik die nacht zou slapen. Achteraf heb ik thuis geprobeerd om van deze notities, samen met wat ik mij nog kon herinneren, per dag een zo getrouw mogelijk verslag te schrijven. Eveneens per dag heb ik foto’s voor mijn verslag geselecteerd. Gelukkig kreeg ik van Georges een kopie van zijn foto’s op CD. Hij heeft uiteraard een kopie van mijn foto’s gekregen. Om mijn verzameling zo volledig mogelijk te kunnen weergeven, heb ik ook nog een beroep gedaan op foto’s die op het internet te vinden zijn. Dit verslag is gewoonweg een weergave in tekst en beeld van een ervaring. Het is zeker geen reisgids en evenmin een handleiding. Langs deze weg wil ik zowel mijn vrouwtje als Roger - één van mijn beste vrienden - van harte bedanken voor de tijd die ze hebben willen investeren om elk afzonderlijk dit verslag te lezen en waar nodig correcties aan te brengen.
Om half vijf stonden Rita en ik op. We hadden met Georges en Liliane in het station van Berchem om kwart voor zes afgesproken. Daar aangekomen zochten we elkaar op en gingen samen gepakt en gezakt naar het perron. Na een kort en innig afscheid vertrokken we met de trein van 05:55u. Om 06:39 kwamen we in Brussel-Zuid aan en namen de Thallys die om 07:04u vertrok richting Bordeaux St. Jean. In deze HST zaten we op genummerde plaatsen. Het was wel even uitkijken waar we onze overvolle rugzak konden wegleggen zonder de passagiers rondom ons te storen. De wagon was boordevol, gedeeltelijk met mensen die op weg waren naar Lourdes.
We kwamen in Bordeaux aan om 12:59u en vertrokken om 13:09u met een andere Thallys naar Bayonne. In deze trein was het iets rommeliger. We konden nauwelijks onze bagage kwijt, laat staan bijeen zitten. Rond 14:54u arriveerden we in Bayonne. Van hieruit was het spurten om het bergtreintje richting Saint Jean-Pied-de-Port nog te halen. Ze hadden ons aangeraden, omwille van de korte tijdspanne, de tickets op de trein te kopen. Hierdoor moesten wij voor deze laatste tickets een meerprijs betalen daar wij deze op de trein kochten en niet aan het loket in Bayonne. Spijtig genoeg konden we de ontvanger – zelfs met het tonen van onze andere tickets – niet overtuigen dat we uit noodzaak hadden gehandeld.
We reden bergopwaarts en passeerden heel wat mooie en gezellige bergdorpjes omgeven door een prachtige natuur. Rechts van ons stroomde de mooie rivier Nive. Het ganse landschap zag er werkelijk schitterend uit - een waar vakantieverblijf. In onze wagon, konden we aan de kleren en uitrusting van de mensen zien dat de meeste ervan eveneens pelgrims waren. Wie ik mij van de passagiers nog kan herinneren is een flink uit de kluiten gewassen man, vermoedelijk van Zuid-Amerikaans origine, en een rijpe dertiger met een krullenbol, die hij waarschijnlijk heeft gekregen door al jaren zijn haar te laten groeien zonder het te kammen.
Uiteindelijk was het zover. We kwamen rond 16:00u aan in St. Jean-Pied-de-Port en omringd door verschillende pelgrims gingen we het stadje binnen. Schuin tegenover de kerk kwamen we aan een gebouw van de ‘Amis du Chemin de Saint-Jacques’ waar we onze eerste stempel in Frankrijk kregen. In mijn credential was het al de tweede. De eerste had ik enkele dagen voor mijn vertrek bij pastoor Dolf te Kapellen gaan halen. Deze kerk is eveneens toegewijd aan de heilige Jacobus de meerdere (in het Spaans Santiago).
Alvorens van start te gaan, zijn we eerst nog in de hoofdstraat een koffie gaan drinken en hebben we nog even een kort bezoek gebracht aan de plaatselijke kerk. Nadat we ons vergewist hadden van de juiste richting, vertrokken we naar Untto via de Porte d’Espagne om van daaruit via de brug over de rivier Nive verder te gaan. Wij volgden een tijdje een asfaltweg en kwamen nadien op een landweg, die de ‘Route Napoleon’ bleek te zijn. Van hieraf werd het een beklimming van formaat. Na anderhalf uur inspanning kwamen we in een gehucht aan. Daar hing op een paal aan een kruispunt een plakkaat met ‘Untto’ vermeld en daaronder een pijl die naar beneden was gericht. Veiligheidshalve vroegen we aan een dorpeling of dit gehucht Untto was. Hij antwoordde positief en verwees ons naar de ingang van een gebouw. Voor we het ons hadden gerealiseerd stond er een stempel in onze credential (het boekje dat als geloofsbrief fungeerde) en kregen we in een gebouw aan de overkant van de weg, in een kamer met zes bedden, elk een bed toegewezen.
Het was stilaan laat geworden. Om ’s anderendaags de grote klim aan te kunnen besloten we te gaan slapen. Het duurde wel even voor ik de slaap kon vatten; misschien door dit calorierijke festijn of ook wel door de spanning van het onbekende.
Intussen waren er al verschillende pelgrims vertrokken en zagen we ze langs een pad steil langzaam naar boven gaan. We realiseerden ons dat het een klimpartij zou worden om U tegen te zeggen. Maar zoals ze daar zeggen ’ultreya’ gingen we moedig voort. Om 08:50u hielden we voor het eerst halt aan een bar. In Frankrijk en Spanje noemen ze alle cafés en tavernen bar. Daar konden we even rusten en genieten van een tas koffie. De klim bleef steil, was vermoeiend en duurde lang. Eén troost: we konden genieten van zeer mooie panorama’s en van het prachtige berglandschap en, we waren niet alleen. In de verte ontwaarden we bergtoppen bedekt met sneeuw. We realiseerden ons toen nog niet dat we later op de dag zelf met onze voeten in de sneeuw zouden staan.
Na een uur verder klimmen kwamen we aan het Maria-beeld: Estatua de la Virgen. Hier hielden we even halt en aten wat fruit. Het was er mooi. We waren er niet alleen. De meeste pelgrims hielden er een stop en genoten zoals wij van het beeld en al het mooie er rond. Na verder klimmen bereikten we drie kwartier later een drinkwaterbron. Daar mijn drinken bijna op was, was dit welgekomen. Ik schat dat ik die dag in totaal drie liter water heb gedronken. Tijdens het klimmen kwamen we verschillende mensen tegen, waaronder een dame uit Hamburg. Zij vroeg mij om te wachten met praten tot ze boven was. Ze wou haar adem sparen. Boven aangekomen kwam ze naar ons toe en vertelde waar ze vandaan kwam en dat ze nog twee dagen te stappen had. Zij deed elk jaar maar een deel van de camino. Haar tocht zat er bijna op. Voor ons begon het nog maar. Na klimmen komt afdalen. Dit laatste was steiler en vermoeiender dan het eerste. Dit bleef zo tot we in Roncevalles aankwamen.
Onderweg vanaf de Spaanse grens was er een provincieambtenaar die aan de bomen pijlen aan het kleven was welke de richting aanduidden van de te volgen Camino. Dit maakte het voor ons heel gemakkelijk om op de juiste weg te blijven. Georges vertelde mij dat Roncevalles als Roncebaljes werd uitgesproken. De Spanjaarden spreken de letter ‘v’ als een ‘b’ uit en ‘ll’ als ‘lj’. In Roncevalles moesten we in een kloostergang wachten om ons aan te melden. We kregen een formulier om in te vullen en na afgifte ervan en betaling voor ons verblijf kregen we een bednummer en mochten we beschikken. De slaapzaal was iets verder in een gebouw aan de overkant van de straat en was vermoedelijk vroeger een stal of schuur geweest. Hierin waren een tachtigtal bedden ondergebracht; allemaal stapelbedden. We werden verwelkomd door een Duitssprekende dame die ons elk een bed toewees zonder rekening te houden met het nummer dat we hadden gekregen. Het was daar een drukke bedoening. Een paar bedden verder lag een vrouw die ons vertelde dat ze uit het Mechelse kwam en dat ze Katrien heette. Naast en boven haar hadden Ierse meisjes een bed gekregen. De vrouwen ondereen hadden al direct een goed contact met elkaar. Het was een geroezemoes van alle soorten talen. Hier had de toren van Babel zijn werk goed gedaan. Na de douche en het wassen van de kleren (de was en de plas), zijn we op zoek gegaan naar eten. Die dag werden ons een aardappelsoep, forel met frites, een fles wijn en een mandje met brood voorgeschoteld.
Tegen de avond konden we in de kloosterkerk de eucharistieviering met pelgrimszegen bijwonen. Daar deze in het Spaans was, kon ik er niet veel van begrijpen. De vredeswens ging er wel hartelijk aan toe. Iedereen schudde zijn omstanders de hand en dat gebaar was beter begrijpbaar dan al die Spaanse woorden. Nadien heb ik er nog de vrienden van Annie en Roland ontmoet. Zij hadden Katrien, die een veel te zware rugzak bij had en die nauwelijks vooraf had geoefend, geholpen met haar klimpartij in de Pyreneeën. Na nog wat rondgekuierd te hebben zijn we ons bed maar gaan opzoeken.
Iets verder, in Espinal, at ik nog wat fruit, dat ik nog van thuis had meegebracht. Om 12:45u was het tijd voor het middagmaal, nl. overschot van de sandwich van die morgen, belegd met kaas, salami en chorizo. Vandaar stond er ons nog een serieuze afdaling te wachten tot in Zubiri, wat in het Baskisch ’stad aan de brug’ betekent. Daar hebben we in een tiënda onze aankopen gedaan. Onderweg kwamen we verschillende pelgrims tegen o.a. twee dames, waarvan er ééntje uit Denemarken kwam en haar compagnon uit één van de Franse kolonies in de Indische oceaan. Ik vermoed dat dit eiland Réunion heet. Deze dames hadden we de dag voordien reeds meermaals in de Pyreneeën voorbij gestoken.
Naar het schijnt - volgens de vrienden van Annie en Roland - was de refugio in Zubiri niet zo netjes. Er liep veel volk rond en we vreesden dat er nauwelijks plaats zou zijn. Daarom besloten we maar verder te trekken richting Larrasoaña. De weg die we volgden liep parallel met de rivier Arga. Regelmatig kwamen we onderweg een Frans koppeltje tegen. Zij hadden de dezelfde eindbestemming als wij. Doordat er zich intussen wolken hadden aangemeld, hielden wij rekening met de mogelijkheid van een onweer. Ook zij vreesden dat er misschien wel wat op komst was. Uiteindelijk bleek het een ongerustheid voor niets geweest te zijn en bleef het droog. Onderweg zagen we rechts van ons aan de grote baan een magnesium fabriek liggen. Op diezelfde grote baan zagen we in de verte een pelgrim lopen, die hoogstwaarschijnlijk de gemakkelijkere maar veel te drukke baan verkoos. In de refugio werden we ontvangen door de burgemeester. Het was een drukdoener van jewelste. Hij nam voor alles zijn tijd, behalve voor ons. In dezelfde refugio kwam een Spanjaard binnen, gekleed in de typische pelgrimskledij. Het was de man die we langs de grote baan hadden zien stappen. Hij begon met de burgemeester te praten. Na wat heen en weer gebabbel, riep deze pelgrim ons en bracht ons naar een kamer, waar nog vrije matrassen op de grond lagen. We nestelden ons op twee nog vrije matrassen en geraakten in gesprek met enkele Fransen. Op de matras naast die van mij lag een man die deed alsof hij niet bestond. Ik ging bij de patron onze credentials halen, die daar nog lagen voor een stempel en betaalde er voor het slapen vijf euro per persoon. Georges vond dit te veel. Hij was van mening dat die man ons in de zak had gezet en dat hij ons het verblijf gratis had moeten aanbieden.
Om 6:15u stonden we op en om 07:20u zijn we vertrokken. De burgemeester die gisteren zo vervelend deed, was nu de beminnelijkheid zelve. Hij gaf ons een gele plastieken band om achteraan op de rugzak te hangen. Aan de tekst die er op stond zou iedereen kunnen zien dat we pelgrims waren. Dat was eigenlijk niet nodig, we vielen zo al op. Toen we vertrokken heeft hij ons nog nagewuifd.
We staken terug de rio Arga over en liepen aan een stuk door tot aan de brug van Zurian, waar we ons ontbijt namen. Ik heb toen de laatste toespijs van thuis opgegeten. Een oudere Duitser kwam ons vragen waar ergens een winkel te vinden was. We konden hem spijtig genoeg niet helpen. Achteraf had ik spijt dat ik hem geen stuk van mijn brood had aangeboden. Onderweg kwamen we nog een zeer vriendelijke oudere Braziliaan tegen. Deze kon zich zeer goed verstaanbaar maken in het Frans. Veel contact hadden we er niet mee omdat hij veel langzamer stapte dan wij.
In Arleta, op een plein met banken en tafels, kregen we de kans om nog wat water bij te tanken en gebruik te maken van de openbare toiletten.
Na enkele kilometers konden we in Arre - in een bakkerij - genieten van een tas zeer lekkere koffie (grande cafe solo of dubbele espresso).
In Pamplona aangekomen kwamen we eerst langs een park en zagen de kathedraal en het diocesaan museum liggen. Na een kort overleg besloten we om verder te gaan i.p.v. het museum te bezoeken. We liepen vervolgens door drukke winkelstraten. In een souvenirwinkel kocht Georges nog eens batterijen voor zijn fototoestel. Hopelijk zouden deze langer meegaan dan de vorige, die het na twee fotobeurten al hadden begeven.
Iets verderop om de hoek was er iemand reclame aan het maken om bij hem te komen e-mailen. Toen hij ons aansprak vertelden we hem dat we daar niets van kenden. Hij moest eens lachen en zei – ik vermoed in het Spaans - dat hij ons niet geloofde.
Verder, richting park in één van de hoofdstraten, kochten we bij de bakker brood en bij de beenhouwer toespijs. Daar het al middag was hebben we iets verder op een bank in het park kunnen genieten van ons middagmaal. Op de Camino, die iets verder lag, zagen we geregeld pelgrims gaan. We lieten het niet na om hun groet te beantwoorden.
We genoten niet alleen van ons eten, maar ook van de rust en van de omgeving. Toen we na een tijdje aanstalten maakten om te vertrekken, merkte Georges dat zijn stokken weg waren. Op een bank recht tegenover de onze, aan de andere kant van de weg, zaten twee mannen. Op het eerste gezicht zagen ze eruit als clochards. We vroegen hen of ze de stokken ergens hadden gezien. Zij deden teken van niet.
Er zat dan maar één ding op en dat was op zoek te gaan naar de stokken in de winkels die we bezocht hadden. Eerst gingen we terug naar de beenhouwer en vervolgens naar de bakker. Al vóór de deur van de bakkerij wisten dames ons te vertellen dat de stokken er nog stonden.
Pamplona is een mooie stad, waar veel te zien is. Maar met een zware rugzak is het niet zo evident om overal binnen te gaan om alles te gaan bezichtigen. We hebben daar het museum van Navarra gemist. Na het nemen van enkele foto’s her en der zijn we maar verder gegaan.
Onderweg kwamen we verschillende keren de Canadese dames en het Frans koppeltje tegen. Eveneens zagen we de man met lang krullend haar en de Zuid-Amerikaan lopen, die in onze trein naar Saint-Jean-Pied-de-Port zaten.
Om 14:30u kwamen we in Cizor Menor aan. We werden er door een Frans sprekende dame zeer hartelijk ontvangen. Na het betalen van 6 € kregen we een slaapplaats toebedeeld. We kozen een gezellige kamer, die we zoals steeds met enkele andere pelgrims deelden. Vanuit onze kamer hadden we een directe toegang tot de binnenplaats en de tuin.
Na de dagelijkse was en plas konden we in de mooie tuin genieten van heerlijke rust en van wat brood en beleg. Aan mijn rechtervoet kon ik mijn eerste blaar verwelkomen. Ik heb ze open gestoken, ontsmet met iso-betadine en bedekt met compied.
Nadien genoten we verder van de rust in de tuin en de warmte van de zon. Alles was er prima behalve de stoelen; ten minste één ervan. Toen ik me neerzette brak er een poot af. De hospitalieri was blij dat ik me niet had bezeerd en wist me te vertellen dat dit al eerder was gebeurd.
We zijn kort daarop nog wat gaan wandelen rond en om de kerk en hebben daar enkele foto’s genomen.
Op aanraden van onze hospitalieri gingen we naar een restaurant iets verder in het dorp. Zij beweerde dat men daar gratis cider kon drinken. Klaarblijkelijk heeft ze ons het verkeerde restaurant aangewezen of hebben wij haar verkeerd verstaan. Het eten was niet slecht, maar zou - volgens bepaalde pelgrims – in het andere restaurant veel beter zijn geweest en bovendien een stuk goedkoper. Gratis cider à volonté hadden we evenmin gehad. Al bij al hebben we toch nog goed kunnen eten en bracht de vino tinto ons de nodige troost.
Zoals gebruikelijk zijn wij vroeg gaan slapen.
Om 07:30u verlieten we Cizor Menor. Vandaag moesten we over de bergketen Sierra del Perdón, waarop we de windmolens al van ver zagen staan. In tegenstelling tot de vorige dagen was het zwaar bewolkt. Een mogelijkheid op regen was niet denkbeeldig. Een tijdje later stapten we door een prachtig natuurgebied bergop richting Sierra del Perdón. Links achter ons zagen we in de verte nog de uitgestrekte vallei van Pamplona. Af en toe passeerde ons iemand uit de streek die van zijn zaterdag profiteerde om eens flink te stappen. Bij ons lag het tempo - door het gewicht van de rugzak - wel een stukje lager. Her en der konden we bekende en onbekende pelgrims ontwaren.
Na een tijd begon het te druppelen. Boven op de Sierra begon het echter harder te regenen. We trokken onze regenhoes over de rugzakken en deden onze regenjas (gore-tex) aan. Kort daarop begon echt stevig te regenen. De zak van mijn fototoestel had ik beter ook afgeschermd. Ik was van mening dat die waterdicht was. Achteraf merkte ik dat dit niet het geval was. Mijn fototoestel bleef ongedeerd, maar mijn credential was kletsnat. Moraal van het verhaal: in de toekomst plastieken zakken bijhouden om de zijzakjes tegen regen te beschermen. Doordat het alsmaar bleef regenen, konden we nauwelijks genieten van het panorama rondom ons en spijtig genoeg ook niet van het in ijzer gevlochten beeld van stappende pelgrims. Wij riskeerden het niet om het fototoestel uit de zak te halen. Daarbij bij zulk donker weer zou het resultaat toch niet veel hebben betekend. Ik troostte mij met de gedachten thuis via internet een foto ervan te downloaden. Op den duur stopte het met regenen en begon het te gieten. We waren niet de enigen die daarvan konden genieten, we zagen ook andere pelgrims hetzelfde lot ondergaan. Mijn hoed liet mij niet in de steek en zorgde ervoor dat mijn brilglazen droog bleven.
Uiteindelijk arriveerden we in Puente la Reine. Een mooi stadje dat ik ooit eens bij mooi weer zou willen terug zien. We zochten naar de nieuwe refugio, die aan de overkant van de historische brug over de rio Arga zou liggen. Volgens het boekje van Georges zou deze veel beter uitgerust zijn dan de oudere refugio aan de kerk. Over de brug gekomen zagen we aan de overkant - richting bergop - een bord verwijzend naar een albergue. Terwijl we daar naar boven klommen twijfelden we of dit wel een refugio zou zijn en keerden op onze stappen terug om beneden de weg links af te slaan opzoek naar de nieuwe refugio. We zochten, we werden nog meer nat, maar vonden niets. Onderweg kwamen we nog pelgrims tegen die nog verschillende kilometers verder wilden gaan, richting een soort van vakantiecentrum, waar zij telefonisch een bungalow hadden gereserveerd. Toen we aan de grens van de bebouwde zone kwamen en nog steeds niets hadden gevonden, besloten we dan maar op onze stappen terug te keren om bergop naar de albergue te gaan. Achteraf bleek dat een refugio ook vaak albergue wordt genoemd. Deze herberg was boven op de berg.
Na een natte steile klimpartij kwamen we er eindelijk aan. Onze regenjas en ons regenzeil moesten we buiten onder een afdak laten uitdruppelen. Nadat we onze schoenen hadden uitgedaan mochten we uiteindelijk binnen. Het was er ruim, gezellig en vooral zeer netjes. De volledige vloer - uitgezonderd deze van het sanitair - was bedekt met nieuw gelegde laminaat. Bij het afstempelen van onze credential maakte de gastheer zich zorgen over mijn kletsnat boekje. Hij nam de credential mee en legde het te drogen op het koffieapparaat. In deze refugio hadden we alles wat we eigenlijk nodig hadden. We moesten voor niets meer buiten. Er was een lokaal ingericht als bar-restaurant, waarin men de ganse dag kon vertoeven om te eten en te drinken en dit allemaal aan schappelijke prijzen. De hostelieri had aan alles gedacht. In de gang stond een wasmachine en een droogkast. Dat kwam goed van pas om onze natte kleren te laten drogen. Georges had twee dames uit Beieren gevonden die bereid waren hun kleren met de onze hierin te steken. Dit betekende een deling van de kostprijs door vier. Alle beetjes helpen. Na vijfenveertig minuten was alles terug droog: als dat geen luxe is.
Onze kamer deelden we met o.a. het Frans koppeltje (Christel en haar vriend), de dames uit Beieren en de Engelsman die we reeds in Saint Jean hadden opgemerkt. ’s Middags hebben we in het restaurant ons brood met een glas wijn opgeknabbeld terwijl we naar de televisiereportage keken over het huwelijk van de Spaanse kroonprins. In tegenstelling tot bij ons maken ze er in Spanje geen problemen over wanneer het tijdens een huwelijksplechtigheid regent. Regen symboliseert voor hen een vruchtbaar huwelijk. ’s Avonds konden we genieten van een dineetje bestaande uit salade de pasta met tomaat en kaas, kippenbout, frites, dessert en wijn. Op een gegeven ogenblik, toen we al een tijdje in de bar zaten, kwamen twee pelgrims binnen gestapt vergezeld van een filmploeg. Deze ploeg kwam een reportage maken over het wel en wee van deze twee bedevaarders en natuurlijk ook over de herbergen waar ze gingen slapen. De patron achter de toog was in zijn sas en deed alles om gefilmd te worden. Achteraf vernamen we dat dit in opdracht was van ARTE en dat deze reportage waarschijnlijk in oktober, november zou worden gemonteerd en misschien uitgezonden.
Op hoop van droog voor de volgende dag kropen we in onze slaapzakken.
Dag 6 - zondag 23/5/2004 - Van Puente la Reine naar Villamayor de Monjardin
Wonder o wonder, het regende niet meer. Rond zeven uur dertig waren we op weg. Onderweg zouden we wel een gezellig plaatsje vinden om te ontbijten. We namen terug het pad naar beneden richting de weg waar we gisteren te ver waren gelopen.
Na een tijd stappen werd de weg omgeleid. Daar men volop nieuwe wegen aan het bouwen was – met subsidies van de Europese Gemeenschap - werd onze wandelweg via een ‘profisional’ of voorlopige weg omgeleid. Dit pad was door de regen van de voorbije dag omgetoverd tot een slijkweg. Al vlug was ons schoeisel aangekoekt met slijk. Het bergop en -af gaan werd hierdoor enorm lastig. We moesten goed oppassen om niet uit te glijden. Dit was nog erger dan de Prosperpolder te Doel met Rita, Matte en Astrid.
Ik schoof van de zes naar de negen. Mijn schoenen werden bijna van mijn voeten gezogen. Gelukkig had ik mijn beide wandelstokken om me tegen te houden en om erger te voorkomen. Terwijl ik op een helling naar beneden schoof, zag ik tot mijn grote verbazing Katrien in het gras naast de weg van de helling zitten. Het arme schaap was buiten adem en kon niet meer. Ze was in gezelschap van een oudere heer, die samen met haar op krachten aan het komen was.
Na een tijd kregen we in Villatuerta toch een beetje vastere grond onder onze voeten. In het dorp zagen we veel volk uit de kerk komen. Wat we vermoedden was juist, het was hier eerste communie geweest.
Net iets vóór de kerk werden we aangesproken en verwelkomd door een vriendelijke heer, die uiteindelijk een West-Vlaming bleek te zijn. Zijn zoon was gehuwd met een Spaanse die in dit dorp woonde. Hij bracht er enkele weken verlof door. Om zijn vrije tijd nuttig te besteden stond hij een groot deel van de dag vóór de kerk om voorbij trekkende pelgrims te groeten. Hij benaderden hen in hun eigen taal en bood hen een rondleiding aan in de mooie kerk. Van de dorpspastor had hij hiervoor de sleutel gekregen. De man was in zijn nopjes. Volgens hem sprak hij zeven talen en was dit een leerrijk en gezellig tijdverdrijf. Kort nadat hij ons had rondgeleid kwam er een meisje aangestapt waarvan we wisten dat ze Duitse was. Wij hadden haar ’s morgens al eens ontmoet. De vriendelijke man ging haar vol enthousiasme tegemoet en sprak haar in het Duits aan. Zij was prettig verrast.
Er hing rond het plein een gezellige sfeer dankzij de eerste communicantjes en hun ouders die allemaal mooi waren uitgedost. We namen als herinnering enkele foto’s en gingen verder. Er zijn nog vriendelijk mensen op onze aardbol.
In Cirauqui (wat in het Baskisch zoveel betekent als “addernest”) liepen we over een zeer mooie authentieke Romeinse weg en een zeer oude brug. Langs beide kanten van de weg stonden cipressen. We waanden ons in de buurt van het oude Rome.
Eerderop de dag hadden we een jonge Engelsman ontmoet die archeologie had gestudeerd. Hij hield zich vooral bezig met het opgraven van oudheden. Zijn voornaamste werkmateriaal was zijn penseel. Hij kon zijn ogen hier niet genoeg de kost geven en deelde heel enthousiast zijn genot en vreugde met ons.
Uiteindelijk kwamen we in Estella aan. Daar stond ons weer een verrassing te wachten. Vóór de deur van een huis - wat de refugio bleek te zijn - zat Katrien. We informeerden hoe zij dat gefikst had. Ze vertelde ons dat ze de slijkweg had verlaten om langs de grote baan al mankend verder te stappen. Een automobilist was gestopte en had haar na veel aandringen kunnen overtuigen om mee te rijden naar Estella. Van dat veel aandringen heb ik niet veel geloofd.
De hospitalieri die toevallig buiten kwam, vertelde ons dat in deze refugio nog maar één bed vrij was. Daar we nog fit genoeg waren vonden we het eigenlijk niet zo erg. Wij besloten dan maar verder te stappen tot in Irache. Hier zou een mooi ingerichte herberg zijn.
In Irache aangekomen zagen we juist voorbij het dorp een albergue, maar er was geen mens te bespeuren. Och, verder zouden we nog wel iets vinden.
Iets buiten Irache kwamen we aan de ‘Fuente del Vino’. Dit is een plaats waar elke pelgrim zoveel water en wijn mag drinken als hij maar wilt.
Daar we nog wat kilometers voor de boeg hadden, waren we heel zuinig in het drinken van deze lekkere wijn. Aan deze bron kwamen we fietsende dames uit Nederland tegen en een wandelaarster, die Ruth heette en die we nadien nog enkele malen zouden ontmoeten.
Ruth had geen beker om uit te drinken. Georges leende haar zijn opvouwbaar bekertje. Ze had dit nog nooit gezien en was verwonderd over de handigheid ervan. Dankzij Georges kon ze toch eens van die wijn proeven.
We stapten verder en besloten dan maar naar Villamayor de Monjardin te gaan.
Onderweg liepen we nog voorbij een groot hotel. Aan de auto’s, het volk en de muziek vermoedden we dat daar heel wat communiefeesten aan de gang waren.
Iets verder kwamen we aan een mooi natuur- en recreatiegebied. We passeerden aan onze rechterkant een grote camping. Ik vermoed dat ze allemaal weg waren om te feesten, want er was geen levende ziel te bespeuren.
Na een achttal kilometers stappen kwamen we uiteindelijk in Villamayor de Monjardin aan. Monjardin is de naam van de berg die in de buurt van het dorp ligt. In het dorp zagen we de dames uit Beieren stappen die ook op zoek waren naar de refugio. Heel toevallig vonden we de herberg. We waren van mening dat ze de bewegwijzering veel beter hadden kunnen aangeven.
Deze refugio werd verzorgd door Nederlanders. Zij waren zeer gedienstig en stelden ons voor om onze rugzak naar binnen te dragen. We waren nog sterk genoeg van hart en ziel om dit zelf te doen. Op de tweede verdieping kregen we elk een bed in een mooi verzorgde kamer, die we moesten delen met de dames uit Beieren.
Na onze was en plas stonden we wat te praten op een terras; ik op blote voeten in mijn sandalen. Eén van deze dames maakte mij erop attent dat ik aan de teen naast mijn grote teen van mijn rechtervoet een bloedblaar had. Ik had daar helemaal nog niets van gemerkt. Ik heb die dan maar open gestoken en ontsmet met iso-betadine. De dagen daarop heb ik telkens deze ceremonie herhaald. Ik heb er nooit pijn of problemen door gekregen.
De Nederlandse gastheren en -vrouwen kookten zelf.
We werden verrast met pasta, sla en olijven als voorgerecht en Indische stoverij gebakken in kerrie als hoofdgerecht. Daarbij kregen we nog brood, dessert en wijn. Het smaakte allemaal zeer lekker.
Aan onze tafel zat een Italiaan die al enkele dagen te kampen had met tendinitis en die van plan was nog een dag langer in de refugio te blijven.
Na het eten werd aan iedereen in zijn taal een boekje geschonken met als titel ‘Levend Water - het evangelie naar Johannes’ . Uit dit evangelie werd als avondgebed een stukje voorgelezen. Ik ben vergeten welk stukje het was. Dit is niet erg, het ganse evangelie van Johannes is de moeite waard om te lezen.
’s Nachts werd ik wakker door het gesnurk van Georges. Hij was eindelijk eens goed aan het slapen - wat de dagen ervoor volgens hem een probleem was geweest. Met behulp van oorstoppen kon ik uiteindelijk toch de slaap hervatten.
Dag 7 - maandag 24/5/2004 - Van Villamayor de Monjardin naar Torres del Rio
Na een lekker Hollands ontbijt vertrokken we. We hadden voor alle zekerheid onze fleece aangetrokken omdat het er nogal frisjes uitzag. Maar in Spanje blijft het ’s morgens niet lang fris in deze tijd van het jaar. Al heel vlug moesten we de fleece terug uitdoen en werd het een zeer warme dag. We trokken langs mooie wijngaarden en aspergevelden. In de verte zagen we prachtige afgekapte bergen (tafelbergen) met daarop windmolens.
Iets voor de middag kwamen we in Los Arcos aan. We zochten en vonden de refugio, die verzorgd werd door vrijwilligers van de Vlaamse Compostela Genootschap. We werden er zeer hartelijk begroet en de mensen vertelden wie ze waren en hoeveel weken ze als vrijwilligers hier kwamen werken. Hier liepen we Katrien terug tegen het lijf. Zij was met een taxi gekomen. Haar rugzak woog te zwaar en haar benen deden pijn. Eveneens troffen we daar een dame uit Ieper aan. Zij was gezegend met blaren en was daarom met transport naar hier gekomen. Haar drie compagnons – eveneens Vlamingen – waren te voet op komst en zouden hier later op de dag aankomen. Terwijl we in onze boek een stempel lieten zetten kwam er nog een Belg aan. De Limburger was al enkele maanden onderweg, vanuit Bree vertrokken. We hadden een korte maar gezellige babbel.
Daar het nog vrij vroeg was besloten we verder te gaan tot in Torres del Rio. Onderweg kwamen we veel fietsers tegen en werden door hen op de gebruikelijke manier begroet: “Buon Camino” of “Buenes Diaz”. Het werd stilaan warmer om niet te zeggen heet. Mijn kousen voelden nat aan. Veiligheidshalve trok ik er maar andere aan; dat is veiliger voor de voeten. Van de blaren had ik nu helemaal geen last meer. Aan een boomgaard namen we ons middagmaal. We aten brood, worst en fruit dat we in Los Arcos hadden gekocht; dit alles overgoten we met water. In een toeristenwinkel kocht ik een speld voor mijn hoed. Het is een gele Compostela-ster op een blauw vlak. Een souveniertje kan nooit kwaad.
In Sansol aangekomen namen we enkele foto’s van het dorp en de kerk. In de diepte zagen we Torros del Rio met haar achthoekige kerktoren liggen. Georges voelde zich niet op zijn gemak toen ik voorstelde een binnenweg te nemen. Rita zou, mij kennende, hem heel waarschijnlijk gelijk hebben gegeven. Ik heb hem kunnen overtuigen en we zijn via het binnenpad naar beneden gegaan. We bereikten Torros del Rio zonder omwegen. We vonden daar een andere refugio dan we verwacht hadden. Ze was, zoals in ’t algemeen, zeer goed onderhouden.
Georges en ik kregen respectievelijk bed 19 en Georges bed 17 toebedeeld - alle twee een bovenbed. Na de was en de plas slenterden we tussen de huizen door de straten en deden onze boodschappen in een plaatselijke winkel. Omdat alles dicht was vanwege de siësta kochten we daar een busje bier om onze grootste dorst te lessen. Dit dronken we uit op een bank langs de kant van de straat. Om zes uur gingen we richting restaurant in de hoop iets te kunnen eten. We bleven in de bar aan de toog wachten tot het restaurant openging. Om de tijd te doden en als aperitief genoten we nog eens van een biertje. De Engelsman, die we reeds in St. Jean hadden gezien was er ook. De man uit Bree die intussen was binnen gekomen was blij ons te zien en kwam bij ons staan. Uiteindelijk konden we aan tafel. Er kwamen nog twee Fransen en twee Duitsers bij ons zitten. Het werd een prettige internationale avond. Onze talenkennis kwam hier zeer goed van pas.
Dag 8 - dinsdag 25/5/2004 - Van Torres del Rio via Viana en Logrono naar Navarette
’s Morgens werd het zoals gewoonlijk een kattenwas. Na de sanitaire besognes kleedde ik mij aan en laadde mijn rugzak in zoals het hoorde: broeken, hemden, kousen, ondergoed werden allemaal netjes opgerold en in de voorziene wasnetten gestoken; dit om nadien het zoeken te vergemakkelijken. Mijn slaapzak werd in een zak gefrommeld zonder deze op te rollen. Onze Denis had mij dat thuis aangeraden. Wanneer alles in orde was, de bottinnen aangetrokken, de rugzak op de rug gebonden en de wandelstokken in de handen vertrokken we met goede moed.
Onderweg, aan het kerkhof juist buiten dit stadje, zagen we onder de boog van de ingangspoort een groepje mannen bijeen liggen, elk in hun slaapzak. Ik had niet de indruk dat dit pelgrims waren. Dit zag er maar miezerig uit. Vandaag was het de laatste etappe in de provincie Navarra. Als afscheid van deze mooie bergachtige provincie kregen we onderweg nog heel wat flinke klimpartijen te verwerken en dat allemaal op onze nuchtere maag. Zoals gewoonlijk namen we ons ontbijt tijdens de eerste rustpauze. De natuur onderweg was zeer mooi. In de verte zagen we uitlopers van de Sierra de Santiago de Loquiz. Verschillende van die bergen waren spierwit. Het deed mij denken aan de krijtrotsen van Dover en aan Cape Gris Nez.
Een zeer trouwe metgezel, die dan weer eens dicht en dan weer eens ver van ons was, was de N111. Op deze baan reed behoorlijk wat verkeer. Gelukkig moesten we daar niet langs lopen.Wanneer de grootste klim achter de rug was hoorden we gezang. Het waren mooie klanken die uit de mond van een Duitse dame kwamen. We hadden haar al enkele keren eerder gezien. Volgens ons had ze al heel wat zangervaring achter de rug. Zij zong zeer mooi en zuiver en genoot er klaarblijkelijk zelf ook van.
Onderweg zagen we een man lopen die een karretje voorttrok. Op deze kar had hij al zijn bagage geladen. Zoals bij de paarden droeg hij een soort van draagbeugel; dit waarschijnlijk om zijn armen te sparen en het trekken van die kar te vergemakkelijken. Moeilijk zag het er precies niet uit. Hij stapte veel vlugger dan wij met onze rugzak op de rug.Op een gegeven ogenblik kwamen we een Franssprekende man tegen die in de tegenovergestelde richting liep. De brave heer had in de refugio zijn hoed vergeten. We wisten dat er nog een hoed lag en vertelden het hem. Dat beloofde voor hem een serieuze extra wandeling terug naar af. Iets later toen we aan de kant zaten en ons fruit aan het opeten waren, kwam de man nu met zijn hoed op het hoofd voorbij gestapt samen met het koppel dat door ARTE werd gefilmd. Doordat zij als laatste de refugio hadden verlaten, hadden ze de vergeten hoed maar meegenomen. Zijn dag kon niet meer stuk. Er zijn nog attente en vriendelijke mensen op de wereld.
Na ca acht kilometer stappen kwamen we in Viana aan en deden er onze voorraad op. We gingen daarna terug naar de hoek van de straat waar we op een klein pleintje stenen banken en stenen tafels hadden zien staan. We genoten er van ons eten. Ons genot werd wel enigszins verstoord door een iets te frisse wind. Door onze fleece aan te trekken kon dit probleem vrij vlug worden verholpen. Nadat we onze honger hadden kunnen stillen gingen we verder richting Logroño. Onderweg - niet ver vóór Logroño - zat er langs de weg een oudere dame die ons sinaasappelsap aanbood, waar we een blikje bier konden kopen voor 1€ en een stempel konden krijgen in onze credential. Het was een zeer vriendelijk mens. Voor haar was dat een vorm van ontspanning en voor de pelgrims een prettige verrassing.
Logroño is een grote stad met een prachtige kerk en veel winkelstraten. We hebben er enkele foto’s genomen, ons hoofd eens links en rechts gedraaid en onze weg voortgezet richting Navaretta. Het duurde een tijdje voor we deze stad uitwaren. We hadden toen die dag nog 12 km voor de boeg. Een tijd later kwamen we voorbij een houtzagerij. Aan de afsluiting bestaande uit een soort van kippendraad had men overal met stukjes hout kruisjes gevlochten. Er waren zelfs echte kruisjes bij. Het was een zeer mooi gezicht. Uiteraard hebben wij ook met stukjes hout een kruis tussen die draden gevlochten. Het hout was wel niet van zeer goede kwaliteit, maar de intentie was er. Ik vraag me af of het er nu nog zou hangen.
Nadat we enkele kilometers op een wandelweg tussen de N111 en de A68 gestapt hadden, kwamen we aan een stuwmeer. Deze plek vormde een oase van rust. We besloten er te gaan zitten om wat te eten. Aan het meer zaten hier en daar vissers te genieten van hun hobby. Terwijl we aten zagen we ook twee Sloveense dames voorbij stappen die we die dag al enkele keren hadden ontmoet. Na een vrij lange wandeling bereikten we Navarette. In de St. Jansstraat zagen we de refugio, die verzorgd werd door Fransen. Het was er krakende proper. ’s Avonds in het restaurant El Molino dronken we eerst enkele pinten bier en namen nadien de pelgrimsmenu bestaande uit sla, kippenboutjes, frites, kaas, koffie en natuurlijk wijn.
De pelgrim uit Bree en een man uit Oostenrijk, die er na ons binnenkwamen nodigden we uit om bij ons aan tafel te komen zitten. Het werd een rustige aangename avond. Onze man uit Bree vertelde dat de accommodatie in Spanje aardig wat beter georganiseerd en veel goedkoper was dan in Frankrijk. Zijn compagnon die thuis gebleven was omwille van tendinitis, bleek volgens hetgeen hij van zijn vrouw vernomen had nu toch vertrokken te zijn. Zoals gewoonlijk maakten we het niet laat en gingen tegen negen uur slapen.
Dag 9 - woensdag 26/5/2004 - Van Navarette via Najera naar Azofra
Om 7:00u vertrokken we nadat we eerst een banaan hadden gegeten. We liepen een tijd op een weg tussen de autostrade naar Burgos (nog 102 km) enerzijds en wijngaarden anderzijds. Deze laatsten zijn in deze streek veelvuldig te zien en worden bovendien zeer goed verzorgd. Het was een zacht hellend landschap voorzien van verharde wegen. Na 1,5 u stappen kropen we langs de weg op enkele opeen gestapelde rotsen die er zo uitnodigend uitzagen dat we besloten er ons ontbijt (stokbrood en droge Spaanse kaas, pure chocolade en een appel) te eten. We zagen van daaruit nog enkele pelgrims passeren. Het was een mooie streek, maar wel anders dan in Navarra.
Iets voorbij Ventosa zagen we allemaal stenen in hoopjes mooi op elkaar gelegd. Dit was klaarblijkelijk het werk van pelgrims. Mogelijk is het in hoopjes op elkaar leggen van stenen een vorm van gebed. Deze traditie zou misschien wel eens ontleend kunnen zijn aan één van de vele Joodse gebruiken. Ik denk maar aan het slot van de film ‘Schindlers List’.
Onderweg zagen we nog veel mooie tafelbergen en, zoals eigen aan de streek, verzorgde wijngaarden in overvloed, al dan niet met olijfbomen. Na een tijd stappen passeerden we aan onze linkerkant een bodega oftewel een coöperatief van wijnboeren. Daar we toch niet van plan waren een voorraad wijn aan te leggen, zijn we er niet gaan aankloppen om eventueel een proeverij mee te pakken.In Najera aangekomen kochten we brood, toespijs en fruit. Bij de bank werkte de geldautomaat niet. We gingen naar binnen om dit te melden.
Het eigenaardige is dat elke winkelier of boer die men onderweg tegenkwam probeerde een mondje Engels of Frans te praten. De bedienden van de bank kenden alleen maar Spaans. Het ergerlijke was dat zij geen enkel moeite deden om een andere taal te spreken. Uiteindelijk is er toch een bediende gekomen die de automaat terug in orde heeft gebracht. Het wonder was dan toch geschied: er kwam eindelijk terug geld uit de automaat. Enkele straten verder liepen we voorbij een bar. Hierdoor kwamen we op het idee om nog eens een grande café solo te drinken. In Spanje mag men deze kans niet laten voorbij gaan. Overal waar we tot hiertoe al geweest waren, hadden we zeer lekkere pittige koffie gedronken. Georges was intussentijd ook op zwarte koffie overgeschakeld. Hij vond dat ze bij een café con leche veel te veel melk en veel te weinig koffie in de tas goten. Najera is een zeer mooi stadje. Evenwel besloten we om toch maar verder te gaan tot in Azofra. In een park aan een brug kwamen we onze Engelsman nog eens tegen. Hij was van plan daar in de refugio te blijven. Wij hadden de groep wachtenden voor deze refugio gezien en vonden het toch maar niets. Wij zochten het klooster St. Maria op waar we voorbij moesten gaan. Vanaf dan waren we terug op de goede weg en hoefden we maar de pijlen te volgen.
Onderweg deed ik andere schoenen aan. Dit gaf mij een zeer goed gevoel. Uiteraard was ik niet meer in staat om gekke toeren te doen. Ik begon stilaan moe te worden. Iets verder op een weg tussen fabrieken passeerden we een pelgrim en een boer. Zij riepen ons toe dat er regen op komst was. Aan de lucht te zien konden ze wel eens gelijk hebben. We stapten voor alle zekerheid maar voort. In Azofra aangekomen kwamen we aan een gebouw met een gewelf ervoor dat er uitzag als een refugio. Aan de deur gekomen vertelde de hospitalieri van deze gemeentelijke refugio dat alles reeds volzet was. We vonden het niet zo erg, het was helemaal onze smaak niet. Volgens onze boek zouden er nog andere refugios zijn, evenwel privé. Iets verder om de hoek vonden we er één. We werden er zeer vriendelijk verwelkomd door een Nederlander. Hij vroeg waar we vandaan kwamen. Toen hij hoorde dat we Belgen waren werden we zeer hartelijk ontvangen.
Het doet deugd om iemand tegen te komen die je taal spreekt. We kregen een kamer met balkon. Een verdieping lager aan de andere kant van de gang was het toilet en de douche. Georges merkte op dat voor zoveel volk één plaats voor het sanitair toch niet veel was. De man, die Roland heet, repliceerde dat hij in de toekomst een huis zou bouwen met veertien toiletten en één kamer. Hij draaide zich om en zei ons dat we beneden een mand moesten komen halen, om onze vuile was er in te leggen en naar beneden brengen. Het is hier de gewoonte dat de kleren van de pelgrims worden gewassen. Dit lieten wij ons geen tweemaal zeggen. Eveneens maakte hij er ons op attent dat we om 17:00u in de woonplaats werden verwacht samen met al de andere gasten om met elkaar kennis te maken en te genieten van een aperitief.
In de vroege namiddag aten we vóór de deur op het plein wat brood met toespijs. Onze vriendelijke gastheer zag dat en bracht ons elk een glas heerlijke rosé wijn.Een tijdje later toen we terug in de kamer waren bracht hij onze kleren netjes gewassen. Met enkele touwen en een paar mastworpen creëerden we een ideale waslijn van de ene kant van de kamer tot op het balkon. Gelukkig konden we meer was in de kamer hangen dan op het balkon. Die avond viel er ongelooflijk veel nat uit de lucht en werd de hemel dikwijls verlicht door hevige bliksems. Aan de aperitieftafel ontmoetten we verschillende mensen van de ons omringende landen zoals Duitsers, Oostenrijkers en zelfs een Noor. Onder de deskundige leiding van onze gastheer genoten we van rosé en rode wijn, vergezeld met lekkere hapjes, in ’t Spaans tappa genoemd.De Noor was een verstokt roker en had een zeer erge verkoudheid. Volgens wat ik nadien heb horen vertellen van Katrien, had deze man een ernstig longprobleem en niet zomaar een verkoudheid. Ik heb, voor we gingen slapen – zoals vroeger mijn pet (grootmoeder) steeds deed, zijn borstkas ingesmeerd met kamferalcohol.
’s Avonds zijn we met onze gastheer en het voltallige gezelschap in een restaurant schuin rechts van de refugio gaan eten. Ik nam er pasta met tomatensaus, calamares met frites, ijs en koffie en natuurlijk zoals iedereen rode wijn.We zaten aan tafel met Duitse dames, waarvan er eentje serieus last had van zonneallergie. Haar ogen waren helemaal opgezwollen. De andere dame gaf les in een Duitse school in Mallorca. Er was ook nog de Oostenrijkse dame die in Irache uit de beker van Georges wijn had gedronken. Deze laatste vertelde dat ze toen niet verder was gegaan en terug was gekeerd naar de Albergue in Irache, waarvan wij dachten dat hij gesloten was.Ook aan deze gezellige avond kwam veel te vlug een einde. We zijn dan maar braaf naar ons bed gegaan. In ons bed konden we nog een hele tijd luisteren naar de gietende regen.
Dag 10 - donderdag 27/5/2004 - Van Azofra naar Redecilla del Camino
Na een ontbijt bestaande uit een grote tas zwarte koffie, een gekookt ei en geroosterd brood met confituur, vertrokken we om 07:40u richting Santo Domingo de la Calzada. Het zou een dagje worden van ongeveer negen uur stappen. De regen die ’s nachts was gevallen had zijn haar sporen nagelaten. Gelukkig was de weg hard genoeg om niet met beslijkte voeten te moeten rondlopen.
We liepen een heel eind parallel met de grote baan. Op een bepaald ogenblik konden we kiezen: ofwel rechtdoor naast de grote baan ofwel de weg links en een ommetje maken bergop richting Cirueña. Deze laatste was een pak rustiger voor de oren, maar wel iets actiever voor de benen. We kozen het linker pad. Achteraf bekeken hadden we er helemaal geen spijt van. In St. Domingo namen we even rust om drinkwater bij te tanken. Uiteraard bezochten we de kathedraal met haar historische graftombe van de heilige Domingo. We konden hier onze ogen niet genoeg de kost geven. Alles was er prachtig. Dit dorp staat bekend om het wonder van de man en de haan. Een gekookte haan en hen die vanuit de dienstschotel begonnen te fladderen, te kakelen en te kraaien om zodoende de onschuld van een van diefstal betichte Duitser uit Keulen te bewijzen. Omdat de arme man de liefde had afgewezen van een plaatselijke schone - de dochter van de herbergier - had zij uit wraak een zilveren armband in de zak van zijn bagage gestoken. Hij werd uiteraard nadien betrapt en van diefstal beschuldigd met een veroordeling tot de strop tot gevolg. Toen men beweerde dat de heilige Domingo de benen van de opgehangen jongen vasthield zei de rechter dat dit even onwaarschijnlijk was als dat de haan en de hen hier op de schotel zouden beginnen te kakelen of te kraaien. Het wonder gebeurde en de haan en de hen kwamen tot leven. Zij begonnen rond te fladderen, te kakelen en te kraaien. De veroordeelde werd hierdoor gered en vrijgelaten. Als dat geen straf verhaal is…
Alvorens verder naar Grañon te gaan kocht Georges nog eerst een brood. Hij was een veel grotere broodeter dan ik. Na drie kilometer zagen we het dorp in de verte al liggen. Er waren dan nog 3,2 km te doen. In dat dorp op het plein hebben we ons middagmaal genomen bestaande uit brood, worst, kaas, appel en water. Daar kwamen we nog één van de Oostenrijkse dames – was het Ingrid of Ruth, ik weet het niet meer - tegen. Dit pleintje werd druk bevolkt door oudere dorpelingen, die er hun dagelijkse babbel kwamen doen. Na het eten gingen we hier op zoek naar de refugio die in de toren van de kerk van San Juan Bautista is ondergebracht. Dit onderkomen bood plaats aan 18 à 22 slapers. In een gemeenschappelijke keuken zou voor iedereen en door iedereen een avondmaal worden bereid. De kostprijs ervan zou over al de aanwezigen worden verdeeld. We beklommen de toren en zagen de kamers en de keuken. Het was niet direct onze meug en we keerden op onze stappen terug om verder richting Redecilla del Camino te gaan. Een oudere heer wist ons te vertellen dat we van hieruit nog vier kilometer voor de boeg hadden.
Na een stevige klim langs modderige wegen kwamen we, nadat we de grens tussen de provincies Rioja en Castilla y León hadden overgestoken, uiteindelijk in Redecilla del Camino aan. Het was een klein maar verzorgd dorp, waar spijtig genoeg een verschrikkelijk drukke baan doorheen liep. Massa’s camions doorkruisten vanuit beide richtingen dit dorp met veel gedaver en oorverdovend lawaai en dat allemaal via een weg met veel te smalle voetpaden. Tegenover de kerk in een andere straat vonden we boven een bar de refugio.De kamers en het sanitair zagen er zeer verzorgd uit. De uitbaatster was een jonge sympathieke dame, die – naar we nadien vernamen - nog niet zo lang geleden weduwe was geworden. We kregen een bed toebedeeld en waren blij dat we tot hier gegaan waren. Aan de overkant van de drukke baan, die achteraan de kerk liep, vonden we iets verderop een restaurant. De man en de vrouw die dit etablissement uitbaatten waren twee zuurpruimen. Daar we niets beters in de buurt vonden, besloten we daar maar te eten.
We waren niet de enige pelgrims. We ontmoetten er verschillende bekende gezichten. Nadat we allen de tafels bijeen hadden geschoven genoten we van het gezelschap van twee Duitsers (Willy en Marianne) en van twee Oostenrijkers (Ingrid en Ruth). Er werd veel gebabbeld en het ging er zeer gezellig aan toe. Ik bestelde voor de aardigheid eens een biefstuk. Daar kreeg ik al vlug spijt van. Dit gedrocht, ik bedoel dit vlees - was amper enkele millimeter dik, was taai en smaakte naar niets. Gelukkig was er wijn en voldoende brood. Terwijl we daar aten hoorden we het onafgebroken gedaver van de voorbij donderende camions. Dit hield geen minuut op. Het moet verschrikkelijk zijn om aan zulke baan te wonen. Misschien waren de uitbaters daarom wel zo zuur. We kregen één literse fles rode wijn voor ons zes. Deze was echter iets te vlug op. Marianne, die het Spaans machtig was, ging aan de vrouw des huizes een tweede fles vragen. Zij maakte echter geen aanstalten ons deze extra fles wijn gratis te geven. We besloten dan maar naar de bar van de refugio terug te keren. Alvorens de baan over te steken was het natuurlijk uitkijken geblazen voor al de camions.
In de bar van de refugio hebben we nog wat over koetjes en kalfjes gebabbeld terwijl we genoten van een lekker glaasje wijn. Naargelang de tijd vorderde vielen onze ogen bijna toe. We zijn dan maar als brave pelgrims ons weer eens rond 9:00u gaan klaarmaken om te gaan slapen.
Dag 11 - vrijdag 28/5/2004 - Van Redecilla del Camino naar San Juan de Ortega
Om 06:00u stonden we op en om 7:00u waren we onderweg. Aanvankelijk waren mijn benen nog stijf en deed mijn linker enkel pijn. Dank zij stretchoefeningen werd het stilaan beter. Na een flink trip met onderweg een ontbijt aan de kant van de weg, kwamen we in de provincie Burgos aan. Enkele dorpen verder passeerden we Viloria de Rioja – een enclave in de provincie Burgos die nog tot de provincie Rioja behoort. Een hele tijd later kwamen we uiteindelijk in Belorado aan. In een zijstraat die naar het marktplein leidde, kochten we in een superette ons rantsoen brood, kaas, worst, appelen en sinaasappelen. De stad gaf op het eerste gezicht helemaal geen verzorgde indruk. Tegen de gevels en in de goten lag opgewaaid vuil. Opruimen en keren daar hadden ze precies nog niet van gehoord. Aan de overkant van het marktplein zag ik een bankkantoor en besloot veiligheidshalve nog wat geld uit de muur te halen.
Ik had vóór mijn vertrek, op aanraden van de bank een geldlimiet laten instellen, met de bedoeling de schade te beperken in geval van diefstal. Gevolg was wel dat ik maar beperkte bedragen kon afnemen. Deze limiet bracht meer ongemakken dan voordelen met zich mee. Ik heb aan Rita dan maar gevraagd deze te laten annuleren. Ik wou later geen hinder ondervinden bij de aankoop van mijn vliegtuigtickets.
Toen we terug op weg waren, zagen we enkele straten verder een plakkaat aan de gevel van een Albergue hangen. Hierop stond te lezen dat de refugio in Villafranca Montes De Oca wegens ombouwwerken gesloten was en dat deze daarom de laatste herberg was. Daar we de stad niet zo gezellig vonden en vermits we in onze goeden doen waren, besloten we maar verder te gaan richting San Juan. Hierdoor zouden we deze dag minstens 37 km afleggen. Onderweg begon mijn linker been terug pijn te doen. Deze hinder werd enigszins verzacht door de mooie vergezichten van o.a. een Ermita in de rotsen uitgehouwen (Ermita Virgen de la Peña ).
In Villafranca aangekomen namen we aan de kerk ons middagmaal.Overal waren ze aan het bouwen of aan het verbouwen. Eén van die gebouwen was de refugio, die omwille van het heilig jaar werd gerenoveerd en uitgebreid. Na wat eten en rusten besloten we om maar verder te gaan. Het werd terug klimmen, maar dan naar een mooi natuurlandschap van Montes Oca richting San Juan. We liepen door een prachtig heidegebied. Het was er muisstil. Hier en daar zagen we dwarswegen toegankelijk voor auto’s, vermoedelijk brandwegen. Boven op een helling zagen we een auto staan. Een koppel had juist gedaan met picknicken. We begroeten hen, hadden een korte babbel en genoten van de aardbeien die zij ons aanboden. Soms zagen of hoorden we in de verte de autostrade, die al een hele tijd uit ons gezichtsveld was verdween. Voor de rest was het er heel rustig. Na een tijdje hoorden we stemmen. Er kwam een groepje Spaanse jongeren aan die ons vrij luidruchtig voorbij staken terwijl we aan de kant zaten om wat fruit te eten. Zij deden mij denken aan de belhamels van de Chiro van Hoevenen. Na een lange tijd klimmen en dalen met onderweg een serieuze onweersdreiging, zagen we uiteindelijk in de verte huizen staan.
Onze vreugde was groot toen we het plaatsnaambord van San Juan de Ortega in het visier kregen. We werden in een lokaal nabij de kerk zeer hartelijk begroet door een oudere priester. Nadat hij een mooie stempel in onze credential had gezet, bracht hij ons naar een zaal waar we ons op een matras op de grond konden installeren. Alle bedden waren reeds bezet. Die zaal zag er niet zo fris uit. Langs de rand van de muren en in de hoeken van deze zaal lag aardig wat stof. Beestjes hebben we er niet zien rondlopen. Het voornaamste was natuurlijk dat we een matras hadden. Voor de rest zouden we het hier wel runnen. Terwijl ik van de matrassen een foto wou nemen, bood een vriendelijk Spaanse jongen aan mij samen met de matrassen te fotograferen. Door het tegenlicht was de foto spijtig genoeg helemaal niet scherp en zeker niet voor publicatie vatbaar. Aan de overkant van de weg was een weide, voorzien van zitbanken en van wasdraad. Hier en daar zat een pelgrim te genieten van zijn of haar rust. Aan die wasdraad hebben we natuurlijk onze was te drogen gehangen. Om naar de toiletten en de douches te gaan moesten we door een labyrint van gangen en slaapkamers. Daar er reeds veel pelgrims gebruik van hadden gemaakt, was het er niet meer al te proper. Maar ja, men kan van de hospitalieri niet alles verwachten. Er moet ook wat goede wil zijn van de pelgrims. Nadien heb ik horen vertellen dat deze priester niet werd gesubsidieerd en dat hij afhankelijk was van de giften en voor de rest alles zelf moest bekostigen. Zijn enige hulp was naar het schijnt zijn zuster die zelf niet meer van de jongste was.
De priester had ons ook bij de inschrijving uitgenodigd om de avondmis bij te wonen. Daar we dit geen slecht idee vonden zijn er naar toe geweest. Hoewel we er niet veel van begrepen vonden we het toch mooi. Na de mis konden we – zoals daar gebruikelijk was en conform met wat in de reisgids stond vermeld - bij het pastoorke zelfgemaakte looksoep eten. Daar Georges helemaal geen lookfanaat is, besloten we in een restaurant, enkele huizen voorbij de refugio te gaan eten. We zaten in een hoek aan het raam. Ik kon er van de gelegenheid gebruik maken om mijn GSM op te laden via een stopcontact achter mij in de muur. Ik moest er alleen maar opletten dat er niemand over de draad zou struikelen.
Tegenover ons zaten een dame en een jonge knaap. Deze laatste was met volle furore in het Frans zijn verhaal aan het vertellen. Die dame kon er nauwelijks een woord tussen krijgen. Wanneer hun conversatie wat bedaarde konden we ons aan hen voorstellen en vernamen we dat ze Zwitsers waren. Georges wist me later te vertellen dat deze dame eveneens Katrien heette. Na het eten constateerden we dat onze was op de draad aan de overkant van de weg, helemaal nog niet droog was. Daar het avond werd en er onweer dreigde, besloten we hem maar nat aan de rugzak te hangen om hem dan maar ‘s anderendaags tijdens het stappen verder te laten drogen. Tussen negen en tien kroop iedereen stilletjes in de slaapzak. Voor we het beseften genoten we van een welverdiende nachtrust.
Dag 12 - zaterdag 29/5/2004 - Van St Juan de Ortega naar Burgos
Om halfzeven waren we reeds op weg richting Burgos. Het zou vandaag maar een tocht van 22,5 km worden. Mijn linker enkel deed nog steeds pijn. Het stretchen bracht mij deze keer geen beterschap. Ik besloot iets trager te stappen, maar voor ik het wist liep ik terug aan mijn eigenste vertrouwde tempo. Na een tijd stappen verdween dan toch geleidelijk de pijn.
In het begin, tot ongeveer in Atapuerca, liepen we over oneffen zandwegen. Daar, in een zeer verzorgd etablissement – een soortement bakkerij - dronken we koffie en aten we een croissant. Deze was zeer lekker en zeker drie maal zo groot als bij ons. Het zag er naar uit dat deze zaak een familiebedrijf was. Er was veel volk om en rond dit koffiehuis. Tussen een groep jongeren zag ik de jonge Zwitser nog altijd zijn betoog doen, maar dan tegen zijn kompanen.Nadat alles op was deden we onze rugzak terug aan en begonnen we aan de klim die we nog te doen hadden. Na een tijd geklommen te hebben zagen we telefoonmasten (torres de telefónica). We liepen in die richting omdat we dachten dat het zo moest. Het was echter fout. We hadden onderweg even niet opgelet en de pijl naar links gemist.
Ik was er nogal vrij gerust in, met de gedachte dat alle wegen naar Rome, in dit geval naar Burgos zouden leiden. Voor Georges was dit niet het geval en hij wou het zekere voor het onzekere nemen. Hij stelde voor al bonkend de helling af te lopen om zo terug op het juiste pad te komen. Het ging wel vrij steil naar beneden, maar het was best doenbaar.Onderweg – op de juiste weg – stapten we een tijdje mee met een meisje dat ons vertelde dat ze uit Californië kwam. We hebben samen enkele kilometers aan het praten geweest. Zij vertelde ons dat ze maar een deel van de Camino zou doen, doordat ze beperkt was in tijd. Na een tijdje besloot dit kind om een rustpauze in te lassen door in een bar een koffie te gaan drinken. Georges en ik vonden dat het hiervoor nog wat te vroeg was en besloten verder te gaan. Onderweg zagen we - in tegenstelling tot de dag ervoor - overal groepjes pelgrims stappen, aan de kant zitten of in een bar koffie slurpen.
Zoals voorzien, kwamen we enkele kilometers verder in Villafria aan. Dit is een randgemeente van Burgos. Van daaruit zou het nog 5 km stappen zijn, maar dan wel meestal door een eentonige ongezellige industriezone. Er was een mogelijkheid om dit met de lijnbus te overbruggen, maar zoals het sportieve pelgrims past, maakten we daar geen gebruik van. Uiteindelijk kwamen we aan de poort van de stad aan. Na hier en onderweg enkele foto’s te hebben genomen belandden we uiteindelijk aan de kathedraal. Deze kerk is een meesterwerk. Om deze schoonheid te bezoeken was het voor ons spijtig genoeg - omwille van de siësta – te laat. Alles was gesloten tot 17:00u. Naast de kathedraal werd er een feestmarkt gehouden. De verkopers waren getooid in middeleeuwse en Keltische klederdracht. Het had bijval en er liep veel volk rond. Eveneens trok een Keltische muziekgroep veel aandacht door de mooie opgewekte maar typische muziek die ze speelden. Onder de toeschouwers zag ik de Oostenrijker staan waarvan ik enkele dagen later vernam dat zijn naam Guntram was. Omwille van mijn zere voet en natuurlijk ook door de zware rugzak, besloten we verder naar de refugio te gaan om ons daar op te frissen en de was te doen. De refugio lag tussen een sportcomplex en een universiteitscampus. Het was er mooi gelegen, ver van al de drukte. Samen met Willy, de Duitser uit Frankfurt, die we daar nog eens op het lijf liepen, namen we de bus tot in het centrum. Daar aangekomen bezochten we de kathedraal die terug open was. Deze kerk was prachtig versierd met verscheidene altaren, schilderijen en allerhande kunstwerken. We hebben er een hele tijd onze ogen volop de kost kunnen geven.
Terug buitengekomen zagen we naast de kathedraal een stoet van mensen in klederdracht van vroeger. Vooraan liep een soortement Tarras Bulba met een slang - boa constrictor denk ik - rond zijn hals. Rond en achter hem liepen trommelaars. Die zorgden niet alleen voor lawaai maar trokken vooral de aandacht. Ik vond zulke slang, die permanent met haar tong aan het bibberen was, toch maar een vieze bedoening. Daarna hebben we wat door het centrum gekuierd op zoek naar een restaurantje. Toen we er uiteindelijk een hadden gevonden, troffen we daar ook Marianne, Ruth en Ingrid aan. Een tijdje later kwam Marianne van ons afscheid nemen. Zij had besloten omwille van haar door blaren ontstoken voeten terug naar huis te keren, nl. naar Mallorca. Van de menukaart koos ik een gemengde sla als voorgerecht en nam nadien als hoofdschotel een Osso Bucco. Deze laatste was zeer lekker. Samen met twee glazen rosé kostte mij dit 25 euro.
Dit etentje was het duurste dat we tijdens de ganse Camino hebben betaald.Het duurde een tijdje voor we een bus terug naar de refugio hadden. Tijdens de rit begon het te regenen. We dachten natuurlijk direct aan onze was die nog aan de lijn hing. Tijdens de rit kwam er een kleine jongen vol bewondering naast mij zitten. Het waren niet alleen de kleren maar vooral de hoed die zijn ogen uitstak. Terug aan de refugio gekomen haastten we ons om de was van de lijn te halen. Spijtig genoeg kwamen we te laat en was alles terug nat. We hebben hem met veiligheidsspelden aan de rugzak gehangen zodanig dat hij ‘s anderendaags onderweg zou kunnen drogen.Die avond brak er tussen 22 en 23 u een hevig onweer uit, gepaard met veel bliksem en vooral hevig gedonder en uiteraard zeer veel regen. Na of misschien wel tijdens dit onweer ben ik stilletjes in slaap gevallen.
Dag 13 - zondag 30/5/2004 - Pinksteren - Van Burgos naar Hornillos del Camino
Vóór zeven uur waren we de refugio uit. Volgens plan zouden we tot Hornillos del Camino gaan. We verlieten de randgemeenten van Burgos via een zeer rustige weg zonder al te veel klimmen en dalen. Daarna liepen we naast en onder de autostrade richting Leon en kwamen na een tijdje stappen in Villabilla de Burgos aan. Alles was er omwille van de feestdag uitzonderlijk stil. Diegenen die niet stil waren, waren de vogels. De ganse Camino zagen we mussen rondfladderen en zwaluwen hoog en laag in de lucht van links naar rechts wegscheren. Op bijna elke toren die we tegenkwamen waren ooievaarsnesten. Het was prachtig om zien. Soms zagen we in de verte zelfs roofvogels zachtjes heen en weer zweven op zoek naar prooi. Maar niettegenstaande we dikwijls in volle natuur liepen, hebben we nergens wild, zoals o.a. herten, reeën, everzwijnen en vossen, kunnen ontwaren.
Iets verder nadat we Tardajos achter ons hadden laten liggen, kwamen we in Rabé de Las Calzadas. Daar werd de rust bruusk verstoord door verschillende knallen begeleid van doedelzakmuziek. Er stond aan de overkant van de straat een groepje mannen bijeen die hiervan de oorzaak waren. We zagen hen bommetjes afschieten. Georges herinnerde mij eraan dat dit hoogstwaarschijnlijk ter gelegenheid van een komende trouwpartij was. Plotseling stak Georges de straat over en liep naar een pelgrim toe. Het bleek dat de man zijn stok vergeten was. Georges die altijd heel attent voor alles en nog wat was, kon dit uiteraard niet laten gebeuren. Na dit nobel gebaar gingen we verder.Aan een bron iets verder in het dorp zagen we Willy zitten. Hij was aan het eten en verwonderde zich dat mijn voet, waar ik gisteren zeer veel last aan had, beter ging. Toen hij mij zag aankomen moest hij aan de snelloper Zatopech denken.
Ik stapte wel iets beter dan de dag ervoor in Burgos, maar dit was toch enigszins lichtelijk overdreven. Ter plaatse aten we cake, worst en brood en natuurlijk spoelden we dit door met het heerlijke Spaanse kraantjeswater.Willy verkoos nog een poos te blijven zitten. Wij namen afscheid en zetten onze weg al klimmend en dalend verder. Hier en daar kwamen we pelgrims tegen. Op een gegeven ogenblik zagen we twee inheemse dames hun ochtend-wandeling doen. Eén ervan riep ons toe en deed teken dat onze rugzak veel te zwaar was. Het mens had gelijk, maar wat konden we er aan doen?Voor we Hornillos naderden kwamen we een vriendelijke herder tegen voorafgegaan door twee schepershonden en een ezel, gevolgd door een kudde schapen. Het was een prachtig tafereel. Ik vond dat dit met mijn fototoestel moest worden vereeuwigd. Kort daarop in het dorp zagen we dames die volop hun straat aan het keren waren. De schapen waren zeer kwistig geweest met hun uitwerpselen.
We besloten in Hornillos te blijven. We kwamen aan de kerk ter ere van Santa Maria, nadat we vanaf de hoofdbaan een weg naar rechts hadden ingeslagen. Tegenover de kerk was rechts in een doodlopende straat de refugio. Na de traditionele stempel, de douche en de dagelijkse was, zetten we ons vooraan de refugio op een bank om te genieten van ons middagmaal. Ruth, de Oostenrijkse, was daar eveneens aangekomen. Guntram zat naast ons op de bank en had problemen met zijn verkoudheid. Om hem te helpen stelde zij voor een flinke borrel te drinken. Zij haalde haar zakflesje boven. Zij liet ons eerst en daarna Guntram drinken van haar wonderflesje met Obstler.Om de dorst te lessen en doordat we al behoorlijk wat water ophadden, zijn we in een bar twee pinten (grande servesa barril) gaan drinken. Nadien waren we in topconditie voor een namiddagdutje.
Tegen de avond gingen we samen met Ruth en Guntram in het restaurant eten. Als aperitief dronken we nog een flinke pint bier. Als voorgerecht koos ik een schotel met deegpennen, overgoten met tomatensaus. De hoofdschotel bestond uit varkenslapjes met frieten. Als dessert werd er ijs geserveerd. Dit alles spoelden we door met de plaatselijke vino tinto. Het had ons zeer goed gesmaakt en was zeer lekker klaargemaakt. Voor dit alles betaalden we 8,5 € per persoon. Als aandenken kregen we nog een postkaart aangeboden van de kerk, die zoals op vele plaatsen in Spanje de moeite waard was.
Dag 14 - maandag 31/5/2004 - Van Hornillos del Camino naar Itero de la Vega
We vertrokken om 7:00 u richting Castrojeriz. In Spanje heeft men op tweede pinksterdag geen vrijaf. We moesten ons dus geen zorgen maken om winkels die eventueel zouden gesloten zijn.Eerst hadden we een flinke klim tot op de top van het tafelgebergte. Het liep daarboven zachtjes op en neer. Hier heb ik Rita opgebeld om haar een gelukkige huwelijksverjaardag toe te wensen. Ik belde haar wakker. Zij was zeer tevreden dat ik deze dag niet was vergeten. Woensdag zou ons Ines haar bloemen afgeven in mijn naam. Spijtig genoeg kon ze dat niet eerder omdat ze met de caravan in Bertrix verbleven. Andere personen die dit hadden kunnen doen, had ik niet kunnen bereiken. Ik mocht dit natuurlijk niet aan Rita vertellen. Het moest een verrassing blijven.
Het werd prachtig weer, helder en windstil. We konden zeer ver zien. Alles was mooi groen en de hemel was hel blauw. Rechts van ons hadden mensen in de loop der tijd een berg gemaakt van opeengestapelde stenen. Het was een mooie aanblik. In de verte zagen we Hontanas liggen. Daar aangekomen dronken we in een bar een koffie en aten wat van ons brood met gerookte ham. Alhoewel het er een rommelig kot was, was de koffie lekker en heeft het eten mij gesmaakt. Nadien gingen we verder richting Gastrojeriz. Daar kwamen we voorbij de ruine van Convento San Anton. Dit zag er een toeristische trekpleister uit. Na er even rondgeneusd te hebben trokken we verder en zagen we een tijdje later boven op een berg de ruïne van het kasteel van Castrojeriz liggen. In Castrojeriz aangekomen gingen we op zoek naar een winkel en een bankautomaat. Na wat klimmen, zoeken en vragen bleek het in de buurt te liggen van een benzinestation rechts van de grote baan boven in het oude stadsgedeelte. Het was een lange smalle stad met over heel de lengte merkelijke niveauverschillen. We moesten eerst een stuk door die stad lopen voor we aan het benzinestation kwamen.Het was er nog vrij stil. Ik denk dat iedereen al siësta aan het houden was. De kerken waren zoals gebruikelijk in Spanje rond het middaguur potdicht. Spijtig, want hier hadden ze wel wat moois te bieden.
Op een bank zagen we Guntram zitten. Hij zat daar te wachten tot de refugio zou opengaan. Hij was zoals gewoonlijk zeer vroeg opgestaan en genoot nu van de rust en de zon. Iets verder zagen we onze Engelsman gaan, die volgens dat hij mij vertelde hoofdredacteur was geweest van de Times. Hij was in gezelschap van Ingrid uit Wenen. Sinds zij in Burgos samen in een hotelletje hadden gelogeerd, trokken zij een tijd samen op. Na de aankopen verkozen we verder te gaan richting Itero. Buiten Castrojeriz stond ons een zeer steile klim te wachten naar de top van de tafelberg Mostelares. Van hieruit hadden we een panorama en een mooie terugblik op Castrojeriz. Boven op de top werd er gewerkt. Grondwerkers en wegenbouwers hadden er met hun camion de nodige sporen achter gelaten. Toen wij de top bereikt hadden was het er wel rustig. Iets verder aan de linkerkant van de weg zagen we een picknick zone. Daar aten we een deel van het eten op dat we net daarvoor in de winkel hadden gekocht. Een tijdje later verlieten we de provincie Burgos en stapten we de provincie Palencia binnen. In Itero del Castillo vonden we een refugio van de Confraternia di S. Jacopo di Compostela. Hier zaten mensen te wachten tot de deur zou opengaan. Deze Italiaanse refugio stond helemaal verlaten midden tussen de velden. Er was geen enkel restaurant of winkel in de omtrek te bespeuren. We hadden gelezen dat de refugio van Itero de la Vega vernieuwd en zeer comfortabel zou zijn. We besloten toch maar enkele kilometers verder te gaan.
Toen we de Pisuenga via de puente de Itero hadden overgestoken, zagen we onderweg een Duits meisje met kroezelhaar en haar Amerikaanse vriendin ons tegemoet komen. Zij gingen terug naar Itero del Castillo, omdat er in Itero de la Vega geen plaats meer was. We gingen toch maar verder. Daar aangekomen zagen we dat ze gelijk hadden. In de slaapplaats waren alle bedden bezet door siësta houdende pelgrims. Aan de ingang zagen we nog wel een stapel matrassen liggen. We gingen eens in het gebouw ernaast zien of daar nog eventueel plaats was. Een oudere dame kwam ons echter kenbaar maken dat dit huis een private woning was en geen refugio. Terug in de slaapzaal van de refugio namen wij elk een matras van de stapel en legden ze op de grond in de brede frisse gang naast de trap. Op de eerste verdieping was er wel een vergaderzaal, maar die was spijtig genoeg op slot. Voor we ons daar konden installeerden moesten we eerst nog op spinnenjacht.In de late namiddag kwam de verantwoordelijke van de gemeente onze stempel geven en natuurlijk ons geld ontvangen. Het sanitair was proper. We konden ons naar behoren wassen en douchen. Op het binnenpleintje hingen we onze was aan de draad, die er in de volle zon kon drogen. In het winkeltje om de hoek van de straat beloofden ze voor ons tegen de avond rond ca 20:15 u eten te koken. We kochten in tussentijd elk een blikje bier, dat we nadien aan de kerk op het plein tegenover de refugio opdronken. Het was snikheet en het smaakte ons uitzonderlijk goed.
We legden ons nog wat te rusten op de matrassen en genoten van een kortstondige siësta. ’s Avonds werd ons eten geserveerd aan tafeltjes op straat aan de overkant van de winkel. Daar zaten eveneens een Nederlands koppel (hij heet Gerard, de naam van de vrouw ben ik vergeten), een Engels koppel (hij heet Nigel en ook de naam van diens vrouw weet ik niet meer) en een Zuid-Afrikaans meisje. Het gesprek werd meestal in het Engels gevoerd. De Zuid-Afrikaanse beweerde dat ze ons Nederlands wel enigszins kon verstaan. Het eten had mij zeer goed gesmaakt en de wijn was zoals steeds lekker. Toen ik vertelde dat ik mijn Engels geoefend had door het lezen van Engelstalige Kuifjesboeken, vertelde Nigel dat hij in zijn jeugdjaren verzot was op deze literatuur. In het Engels zijn dat boeken van Tintin en Snowy. Het was voor ons een gezellige avond met gezellige mensen. Ook nu gingen deze momenten veel te vlug voorbij en werd het vlugger laat dan we gedacht hadden.
Om terdege van onze nachtrust te kunnen genieten waren we genoodzaakt om op onze matras in de gang te gaan liggen. De voordeur ging dicht, het werd stil en we konden rustig slapen.
Dag 15 - dinsdag 1/6/2004 - Van Itera de la Vega naar Villalcazar
Om 6:15u zijn we opgestaan om na een ontbijt op het kerkplein vóór de refugio om 7:45u te kunnen vertrekken. Eerst hebben we in het dorp wat rondgewandeld om de gele pijlen voor de juiste richting te vinden en dan waren we weg. Het was bijna overal tamelijk plat, in zover het daar plat kan zijn. We liepen op een plateau van ca 800 m boven de zeespiegel. Links en rechts, zover we konden zien, waren er niets anders dan graanvelden afgebakend met irrigatiekanalen. Het Zuid-Afrikaans meisje, dat gisteren bij ons aan tafel zat, liep dan eens vóór en dan weer eens achter ons. Uiteindelijk is ze ons ergens voorbij gestoken en hebben we haar nooit meer gezien.
Vandaag planden we richting Fromista te gaan. In Boadilla del Camino – iets vóór Fromista - heb ik een merkwaardige paal vóór de kerk gefotografeerd. Het is een laat Gotisch dorpskruis dat dateert van de 15e eeuw en dat versierd is met typische pelgrimsschelpen. Dit type van steen is gekenmerkt als een ‘rollo’ , nl. het symbool van de jurisdictie van die tijd waar veroordelingen en executies plaats vonden.
Om 11:00u waren we reeds in Fromista. In een bar, in het begin van het stadje, die vermoedelijk pas open was, gingen we koffie drinken. Klaarblijkelijk roken we niet meer al te fris. Toen we nog maar pas binnen waren zette de herbergierster alle deuren en ramen open. Het kon natuurlijk ook zijn dat ze dit deed omdat het verschrikkelijk warm aan het worden was.In dit stadje bezochten we de prachtige St. Maartens kerk.Na betalen van inkom mochten we er zoveel rondkijken als we maar wilden. Dit gebouw is gekenmerkt door haar mooie Romaanse stijl. Aanvankelijk was er weinig te zien, maar hoe meer we rondkeken, hoe meer schoonheid er te voorschijn kwam. Het was een uitzonderlijke subtiel mooie kerk. De figuren bovenaan getuigden van eenvoudige maar zuivere kunst. Het zou naar het schijnt één van de mooiste kerken in haar genre zijn.
Omdat het nog te vroeg was om nu al een refugio op te zoeken, besloten we nog 14 km verder te stappen richting Villalcázar de Sirga. Daar zou volgens goede bron een zeer goede refugio te vinden zijn. Onderweg liepen we langs het Canal de Castilla. Daar werden we door kikkers verwelkomd die het niet konden nalaten uitbundig muziek te maken. In Revenga de Campos op het marktplein hielden we rond 13:00u halt voor het middageten dat uit brood, gerookte ham, kaas, chocolade en natuurlijk water bestond. Iets vóór het dorp zagen we nog enkele pelgrims gaan. Iets verder in een wei lag een koppeltje uit te rusten. Zij genoten al liggend van de mooie dag. Wij hebben hun voorbeeld niet gevolgd en zijn aan de rand van het dorpsplein op een bank gaan zitten.
Tegenover deze bank stond een mooi standbeeld van een stappende pelgrim. Hier heb ik uiteraard een foto van genomen. We liepen nadien verder langs een wandelweg parallel met de grote baan. De laatste drie kilometer begon mijn enkel terug pijn te doen. Om 15:30u kwamen we uiteindelijk bij de refugio aan. Wonder boven wonder waren we de eersten. Het was er zeer proper en goed voorzien van de nodige accommodatie. De hospitalieri was in onze ogen nog een jonge man en wees ons na de stempel onze kamer aan. We namen elk een bed zonder bovenverdieping.Iets later arriveerde Anke – een Duits meisje met krulhaar - dat we onderweg al enkele keren hadden ontmoet. Nadien kwam nog haar Amerikaanse vriendin er aan. Deze laatste was onderweg verloren gelopen. Een vriendelijke man had haar de juiste weg kunnen wijzen.
Naast het bed van Georges installeerde zich een man die uitblonk door zijn geklaag. We dachten eerst dat hij een Portugees was. Achteraf toen hij normaal begon te praten bleek het een Duitser te zijn. Last but not least kwamen ook nog de Spanjaard met zijn Indiaanse vrouw eraan. Deze mensen hadden we reeds in de vorige refugio ontmoet. Na een heerlijke douche voelde ik mij al een andere mens. Nog één dag en we zouden halverwege zijn. We mochten het natuurlijk niet nalaten ook hier de plaatselijke kerk te bezoeken. Hier heb ik een foto genomen van het mooie goudkleurige altaar. Na het kerkbezoek gingen we in een bar iets drinken. De patron beloofde om voor ons rond twintig uur eten klaar te maken.
Daar het dorpsfeesten waren, was het voor hem die dag al bijzonder druk geweest en had hij niet veel tijd. Tijdens de siësta konden we via de geluidsinstallatie genieten van mooie Keltische muziek. De voorvaderen van de Spanjaarden uit deze streek bleken Kelten te zijn. Deze muziek klonk zoals Ierse muziek. De hospitalieri vroeg of deze muziek ons stoorde. Helemaal niet. Het was zeer mooi en vooral rustgevend. We genoten ervan. Na de siësta gingen we, iets voor twintig uur, zoals afgesproken naar de bar. De patron had nog geen tijd gehad. Misschien zou het wel lukken om 21:00u. We rekenden daar niet meer op en gingen op zoek naar een alternatief. In dit dorp was alles dicht. Vóór een zojuist gesloten winkeltje stonden nog enkele dames te praten. We vroegen of we nog iets konden kopen. Ze zeiden dat alles dicht was. Gelukkig sprak de dochter van de winkelierster een beetje Engels. Ze wou absoluut met ons een babbel doen. We vertelden wie we waren en dat alles spijtig genoeg gesloten was. Zij kon haar moeder overtuigen voor ons de winkel te openen. Zodoende konden we nog het één en ander kon kopen, waaronder een fles zeer goede Rioja .
We gingen dan maar terug naar de refugio. Daar aten we dan maar brood met beleg. Mijn beleg bestond uit chorizos. Het kwam er op de duur langs mijn oren uit. Sinds die avond heb ik dat niet meer gegeten. De echtgenoot van de indiaanse vrouw wees ons erop dat we zeer goede wijn aan het drinken waren. Door die stille wenk liet ik hen hiervan eens proeven. Het werd in dank aanvaard. Zelf dronken ze rosé wijn uit een tetrablik.Die nacht heb ik zeer goed geslapen ondanks al het gesnurk om mij heen.
Dag 16 - woensdag 2/6/2004 - Van Villalcázar de Sirga naar Calzadilla de la Cueza
We stonden iets later op dan normaal. Nadat we in de refter ons ontbijt hadden genomen, vertrokken we richting Carrion de los Condes. Mijn linker been deed pijn; vooral door krampen en een gezwollen enkel. Het stappen verliep heel moeizaam. In het dorp kwamen we nog een Française tegen. Na een korte babbel is zij verder gegaan want ik ging voor haar wat te traag. De wandelweg liep de ganse tijd naast de baan. In Carrion was ik van plan geld uit de muur halen, maar dit lukte niet. Dan maar hopen op een volgend dorp. In een tienda kocht ik een groot pak chips met zout. Ik had ooit eens gelezen dat men krampen kan krijgen door een tekort aan zouten. Deze chips kikkerden mij na een tijdje op.
Alvorens verder te trekken zochten we een drinkwaterbron en vonden deze in het park aan de linkerkant van de stad. Daar zag ik de Methodist minister lopen, die Willy mij in Burgos had aangewezen. Misschien was hij wel te gast in het Clarissen klooster aan de westkant van de stad.Wij gingen verder en liepen langs een 14 km lange eentonige weg. Eigenlijk de meest eentonige weg sinds ons vertrek. Al de waterbronnen waren ‘non potabile’. Overal rondom ons zagen we graanvelden. Enkel in de verte, rechts van ons, zagen we de Cordilera de Castillia liggen. Een gebergte om ‘U’ tegen te zeggen. Gelukkig moesten we daar niet over. We liepen nu op een hoogvlakte van ca 800 m. Hierdoor konden we dan toch een beetje genieten van een tamelijk fris windje.
Na lang stappen zagen we uiteindelijk in de verte een tafel met zitbanken er omheen. Daar aangekomen waren we blij verrast. Onze Oostenrijkse vriend Guntram had daar juist gedaan met eten. Het weerzien was hartelijk. Na wat gebabbeld te hebben stond hij op en ging verder. Wij bleven zitten voor ons middageten. Hier moet ik per ongeluk mijn mesje – dat ik ooit van de Matte heb gekregen - samen met etensresten in de vuilbak hebben gegooid. Ik heb dit ’s avonds maar eerst ontdekt en vond het spijtig. Het mesje was niet te groot en zeer handig.
Na het middageten was het weer stappen geblazen, terug langs die eentonige weg. Om 14:15 u werd onze moeite beloond en bereikten we uiteindelijk een refugio. Deze lag aan de rand van het dorp, op de hoek van de straat. We hadden geluk: we waren bij de eersten en konden nog een bed kiezen. Na ons kwamen er nog verschillende pelgrims bij, vooral fietsers. De mannelijke helft van het sympathiek Frans koppeltje konden we daar eveneens ontmoeten. Zijn vriendin was terug naar huis. Haar verlof was afgelopen. Ze moest terug gaan werken. Hij mocht verder gaan. Hij was blij ons nog eens te zien. Vóór de refugio zag ik de sportief ogende Nederlander zitten, die we in Puento la Reine hadden ontmoet. Deze man sukkelde met tendinitis en had een zak ijs op zijn been liggen. De douches waren wel smal, maar waren samen met het sanitair goed onderhouden. We slenterden nadien wat door de straten op zoek naar een restaurant.
In wat men daar de hoofdstraat zou kunnen noemen waren bouwvakkers een huis aan het afbreken om het nadien terug te bouwen. Bij het voorbij komen moesten we goed oppassen om geen wolk stof over ons te krijgen. Een paar zijstraten verder merkten we een hotelletje met restaurant op. Het zag er zeer degelijk uit. We bestelden vooreerst al een frisse pint bier. Met zulk warm weer kan men niet genoeg drinken. Wanneer men al ongeveer vier liter kraantjeswater op heeft, kan een frisse pint bier enorm smaken.Daar ontmoetten we enkele Duitsers die daar logeerden. Éen ervan vertelde dat hij vorig jaar gestapt had van thuis tot aan de Pyreneeën. Dit jaar was hij - zoals wij - in Saint-Jean vertrokken om in Compostela aan te komen. Hij vertelde ons dat hij het wandelen moe was geworden: ‘wissen Sie, ich habe jetzt die nase foll’.
Och, een slechte dag is nog geen slecht jaar en we gaven hem wat goede moed.We merkten dat er nog verschillende andere pelgrims in dit hotelletje een kamer hadden geboekt. We zagen ze van op de eerste verdieping uit hun kamers via de overloop langs de trap naar beneden komen. Enkele van hen vertelden dat ze eens een nacht goed wilden slapen. Ik vond het niet erg dat we in de refugio beland waren. Het was er goed en de dag daarop moesten we toch zeer vroeg opstaan.
Tegen de avond gingen we daar dan eten. We merkten dat we het hotel langs de andere kant van de refugio via een wandelpad veel vlugger konden bereiken. Na enkele weken stappen is het uitsparen van enkele meters geen luxe meer. Ik genoot nog altijd van pijn in mijn linker hiel. Op de menu stond minestrone. Ik was van mening dat het soep zou zijn, maar het was een soort ratatouille. Dit was juist iets waar ik trek in had en ik vond het daarenboven nog zeer lekker. Daarna kregen we vis met wat sla. Deze heerlijkheden spoelden we door met een goed glas rode tafelwijn. Als dessert werd er nog een soort tompoes opgediend. Hiermee werden al de gaatjes opgevuld. We konden weeral een dagje voort.
We zaten samen met een Nederlands koppel uit Breda aan tafel, waarvan de man Gerhard heet en die we twee dagen eerder al eens hadden ontmoet. Het waren zeer onderhoudende mensen, eigen aan Nederlanders. Het was nog eens gezellig om de hele tijd enkel maar in ’t Nederlands te kunnen praten. Zij waren van plan ’s anderendaags een stuk verder te trekken dan wij. Omwille van mijn voet hield ik het bij onze oorspronkelijke planning. We wensten elkaar nog veel stapgenot en gingen stilaan terug via de dorpsstraten richting bed.
Dag 17 - donderdag 3/6/2004 - Van Calzidilla de la Cueza naar Sahagún
Om half zes zijn we opgestaan en doorgegaan. We volgden de pijlen door het dorp en kwamen nadien op landelijke wegen uit. Na ongeveer zes kilometer bereikten we Ledigos, waar we in een bar konden genieten van twee dubbele espresso’s. We maakten eveneens van de gelegenheid gebruik om daar ons ontbijt op te eten.
In een dorp verder konden we gelukkig in een refugio wat eten kopen. In de omtrek was er nergens nog een winkel te bespeuren. De sportieve Nederlander, die eveneens op zoek was naar een tiënda, hebben we daar naartoe verwezen. De man sukkelde nog altijd met zijn tendinitis. Sindsdien hebben we hem niet meer tegen gekomen. De wandeling die een afstand van 24 km zou bedragen, verliep veel beter dan de dag ervoor. We liepen terug op een weg tussen tarwe- en korenvelden. Rechts in de verte konden we nog altijd het Castiliaans hooggebergte ontwaren. Op de toppen ervan was ondanks het warme weer hier en daar nog sneeuw te bespeuren.Zoals we de vorige dagen al hadden opgemerkt, zagen we ook nu een kievit die ons een hele tijd begeleidde. Ook aan mussen en zwaluwen was er geen tekort.
De waterkanalen en hun pompinstallaties zorgden ervoor dat de velden op tijd en stond te drinken kregen. Nadien liep een groot gedeelte van deze wandelweg langs de grote baan tot in Sahagun.Onderweg heb ik een foto genomen van ijzeren figuren die langs de kant van de grote baan stonden.Iets vóór Sahagun kwamen we in de provincie Leon aan. We sloegen er rechtsaf richting de Ermita Virgen del Puente. Daar, op een picknickplaats tussen de bomen, aten we wat fruit. Ik at een appel en de rest van de chips die ik nog had bewaard. Van daaruit liepen we verder via een fabriekswijk om uiteindelijk in de stad aan de refugio te komen. Deze herberg was gevestigd in een oude kerk. Het was er zeer mooi en praktisch ingericht. De slaapvertrekken waren op de hoogste verdieping. Zij waren ingedeeld in houten compartimenten voorzien van elk acht bedden. Ik had enigszins mijn twijfels over de conformiteit van deze vertrekken met de Belgische brandbeveiligingsnormen.
In ons compartiment sliepen een Canadees, een Amerikaanse jongen en zijn vriendin. Deze laatste twee hadden we reeds eerder ontmoet in een vorige refugio. Daarna kwam er nog een ouder Frans koppel bij. Hij was van Baskische afkomst en zij was Bretoense. Het waren zeer vriendelijke mensen. Hij was met haar zeer begaan en ze waren zeer lief voor elkaar. Om 13:00u zijn we in een restaurantje niet ver van de refugio gaan eten. Omwille van mijn hiel ben ik nadien siësta gaan houden. Na deze rust kwam Georges mij vertellen dat we in de stad voor slechts 2 euro onze foto’s op CD-rom zouden kunnen laten zetten. Hij had dit op een reclamefolder aan de ad valvas gelezen. Zo gezegd zo gedaan gingen we op zoek naar die computerspecialisten.
We vonden de winkel. Daar zaten enkele mannen aan het computeren. We werden er direct voortgeholpen door een man die zeer goed Engels sprak. Hij zorgde ervoor dat al onze foto’s op een voortreffelijke manier op een CD-rom werden gekopieerd. Toen hij het Mariabeeld zag dat ik in de Pyreneeën had gefotografeerd, vertelde hij ons over het poppenhoofd op het beeld van kindje Jezus. Dit hoofd zou, nadat het door onbekenden was vernietigd, vervangen zijn door het hoofd van een pop. Als men goed ziet merkt men het op.
Georges stelde voor om naar de Casa de Salud – een soort eerste hulp - te gaan om mijn voet te laten controleren. Voor pelgrims zouden ze dat gratis doen. Daar aangekomen was alles toe en stonden we voor gesloten deuren. We waren te laat. Daar ik in tussentijd bij een apotheker een tube mobilat had gekocht, vond ik het niet zo erg.We besloten nog wat door de stad te kuieren om hier en daar wat foto’s te kunnen nemen. In dat stadje was wel wat te fotograferen. Die dag heb ik geprobeerd om het rustig te houden en mijn voet wat te sparen.
Tijdens het wandelen zag ik een reclamebord van verschillende soorten paella. Het water kwam me in de mond. Omdat we al warm hadden gegeten hebben we maar tegen de avond in de refter brood met beleg gegeten. In de refugio waren verschillende personen de ganse namiddag bezig met de voorbereiding van hun eten. Uiteindelijk kregen zij het eten klaar en konden zij tegen de avond het opeten. Het zag er lekker uit en zo te zien genoten ze er klaarblijkelijk van. Onder hen was een man, een Spanjaard met donker haar en een zwarte geitenbaard. Deze was gehuld in een zwarte lederen jas. Ik heb die man nadien bijna dagelijks gezien. Ondanks het zeer warme weer liep hij steeds met zijn lederen jas aan. Ik kreeg het warm in zijn plaats. Wie weet deed hij deze zelfs niet uit om te gaan slapen.Om 21:00u, nadat ik mijn was van de lijn had gehaald, kroop ik in mijn bed. Daar kon ik nog een poos genieten van mooie muziek. Een verdieping lager speelde een orkest zeer mooi filmmuziek. Ik genoot ervan. Het waren allemaal gekende melodieën. Iets na 10:00u werd alles geleidelijk muisstil.
Dag 18 - vrijdag 4/6/2004 - Van Sahagún naar El Burgo Raneros
Om 5:30u stonden we op en om 6:30u vertrokken we richting El Burgo Raneros.Mijn been, dat aanvankelijk nog stijf was, werd stilaan beter. Van blaren had ik geen last meer. Elke morgen spoot ik mijn voeten in met kamfer alcohol, waardoor het vel van mijn voeten harder werd. Het morgenlicht was nog niet helemaal van de partij. We liepen over de brug van de rivier Cea. Omdat ik het daar zo mooi vond heb ik er een foto van genomen met de maan op de achtergrond. Iets verder liepen we voorbij een grote camping met caravans en vakantiehuisjes. Het zag er mooi uit, goed om te kamperen en om het verlof door te brengen.
Alles was nog zeer rustig. Er was nauwelijks leven te bespeuren.In Bercianos del Real Camino hebben we in een bar twee espresso’s gedronken, die ons zoals gewoonlijk zeer goed smaakten. We stapten de ganse tijd op een wandelpad naast de grote baan, evenwel omringd door graanvelden en populieren. Vóór en achter ons liepen pelgrims. Sommigen mankten, anderen stapten gezwind door. Zoals elke dag werden we voorbij gestoken door escortes van fietsende pelgrims, die ons meestal een ‘buen camino’ toeriepen. We passeerden de hermitage ‘de Nuestra Señora de Perales’ en de kerk van het dorp Bercianos.Rond 11:00 u stapten we El Burgo Raneros binnen.
Een man kwam ons per fiets tegemoet gereden. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en welke nationaliteit we hadden. Hij kende wel geen Vlaams maar verwelkomde ons dan maar in een zeer goed verstaanbaar Duits. Hij stelde zich voor als de dorpspastoor. Hij wees ons de refugio aan en liet ons weten dat er om 11:00u een mis zou zijn. Na een korte babbel en alvorens door te rijden gaf hij ons nog de zegen. Zulke mensen te ontmoeten doet deugd.De refugio, met name Domenico Laffi, was een gemeentelijke herberg gebouwd uit leem. Hier waren zesendertig bedden beschikbaar. De deur was op dat ogenblik nog gesloten en zou maar eerst om 13:00u opengaan. We besloten dan maar onze aankopen te doen. We vreesden dat, indien we dit zouden uitstellen, de winkels zoals gewoonlijk tot laat in de namiddag zouden gesloten zijn. Alles aangekocht merkten we dat we te laat waren voor de mis. Spijtig, het had misschien wel mooi kunnen zijn.
Om mijn been wat te sparen bleven we vóór de refugio op een bank zitten. Om de tijd te doden aten we het zo-even gekochte middageten op.Na wat geduld werd om klokslag één uur de deur van de refugio geopend. De hospitalieri die ons verwelkomde zag er een zeer ordelijke maar drukdoende bazige vrouw uit. Zij dramatiseerde alles en creëerde problemen die er niet waren. Zij kon geen seconde haar mond houden. Toen de Spanjaard met zijn Indiaanse vrouw daar aankwamen deed ze teken dat we op onze hoede moesten zijn. Ze deed een draai met haar hand om ons te waarschuwen voor diefstal. Dat koppel kwam zich bij ons in de kamer aan de andere kant van de muur installeren. Zij waren zoals de vorige dagen steeds vriendelijk. We hebben er niets van ondervonden. Van deze kamer die er heel degelijk uitzag heb ik een foto getrokken. Na onze was, onze plas en ons middagdutje zijn we in een bar tegenover de refugio aan de overkant van de straat een pint gaan pakken.
Toen we daar zaten was er een dikke jonge Spanjaard, vergezeld van enkele plaatselijke schoonheden, van zijn oren aan het maken. Ik vermoed dat het om de aanstaande Europese verkiezingen ging; ik ben niet zeker. De herbergierster werd door zijn gezwam geënerveerd en riep naar hem ‘Cojon’, wat zoveel betekent als kloot. Dit deed mij denken aan een Breugelfeest van de vriendenkring van de judo. Daar hadden we dit woord ook al eens gebruikt, nl. cojonos del torro of Spaanse stierkloten. In het kader van het Schengenakkoord hadden we toen een buffet gemaakt met van elk land een typisch gerecht. Voor Spanje waren dat pikante frikadellenbollen.
Achter de refugio lag een man op een zeil te slapen. Naar het schijnt zou hij op terugweg van Compostela naar huis zijn. Hij moest wachten tot er plaats vrij was in de refugio. Eerst kregen de stappers een plaats, daarna de fietsers en als er dan nog plaats over was, mocht hij binnen; wat hem uiteindelijk is gelukt.Om 20:00u gingen we naar het restaurant aan de overkant van de straat waar we hadden gereserveerd. We kregen een heel lekkere vissoep met inktvis en scampi voorgeschoteld. We hebben er elk drie borden van genomen. Nadien genoten we van een lapje rundvlees met frites. Als dessert kregen we een potje ijsroom. We hebben dit uiteraard doorgespoeld met elk een fles rode tafelwijn. Het was een gezellige rustige avond. Die nacht heb ik zeer goed geslapen. In de verte hoorde ik af en toe een trein voorbij rijden en dat deed mij denken aan thuis.
Dag 19 - zaterdag 5/6/2004 - Van El Burgo Raneros naar Villarente
Om 6:00u stonden we op en vertrokken om 7:15u na het ontbijt. We liepen de ganse tijd op een vrij eentonig wandelpad. Niet ver ervan liep een spoorweg waar we af en toe een trein zagen voorbij rijden. In Reliegos liepen we langs lemen huisjes en langs huisjes aan de kant van een berg die bedekt waren met zand en gras. Daar dit iets typisch van die streek was heb ik dit uiteraard gefotografeerd.
Mansilla de las Mulas is een stad omringd door een enorme brede middeleeuwse muur. Op het stadsplein aangekomen deden we in een plaatselijke winkel wat aankopen om daarna de refugio op te zoeken. We vonden ze vrij snel. Deze lag op de linkerkant van de straat rechts na het plein. Deze herberg was gelegen in een winkelstraat waar veel toeristen kwamen, vooral pelgrims. Het was een vrij groot maar zeer verzorgd etablissement. We lieten ons inschrijven en zochten, omdat vooraan alles al bezet was, aan de achterkant voorbij de patio een rustig slaapvertrek op. De hospitalieri had ons intussen verwittigd dat we moesten oppassen voor de binnenkomende Spanjaard met zijn indiaanse vrouw. Daar wij tot hiertoe van die mensen nog niets hadden ondervonden, zou het niet fair zijn geweest ze van iets te verdenken.
In een kamertje op een eerste verdieping achteraan het complex vonden we nog ruimte genoeg om ons te installeren. Omdat we er een benepen gevoel hadden met al die gangen en al dat hout, besloten we maar om nog wat verder te gaan tot in Villarente en daar eventueel een hotelletje te zoeken. De volgende dag zouden we dan wat minder te stappen hebben. Dat zou goed uitkomen omdat we van plan waren in Leon de toerist uit te hangen; wat we in Burgos nauwelijks hebben kunnen doen. We gingen onze credential die nog bij de hospitalieri lag, terughalen en hebben hem over onze opzet verteld. Hij was er precies niet helemaal mee opgezet.Vóór de refugio, aan de overkant van de straat op een terras van een bar, zagen we de vier West-Vlamingen genieten van een drankje. Na een korte begroeting en na hen veel succes te hebben toegewenst gingen we - alvorens verder te gaan - eerst terug naar het marktplein om daar uit voorzorg onze drinkzakken aan een waterkraan te vullen.
We staken de rivier Esra over en gingen richting Villarente. Onderweg werd het alsmaar heter en drukker. We waren blij dat we ons goed hadden voorzien van kraantjeswater. Na een tijd stappen zagen we uiteindelijk een picknickplaats niet ver van de grote baan. We zijn daar gaan zitten om te rusten en te genieten van wat middageten.In Villarente zagen we aan de overkant van de straat het hotel El Delfin Verde of de groene dolfijn. We besloten er een kamer te boeken. Dit bleek helemaal geen probleem te zijn. Er was plaats genoeg. Ik kon het geloven, buiten ons twee heb ik daar nauwelijks iemand zien rondlopen. Alleen ’s avonds kwamen er nog enkele mensen in het restaurant aan een tafel zitten. Voor ons samen betaalden we 30 euro per nacht voor een kamer met twee bedden inclusief badkamer en wc maar zonder ontbijt. Nadat we ons hadden gedoucht en de nodige was gedaan hadden, konden we die te drogen hangen naast het hotel op een braakliggend stuk grond, waar enkele oudjes van de zon genoten en waar de kippen vrij rondliepen.
We besloten om eens een sangria te gaan drinken. Voor drie euro kregen we een grote karaf vol met sangria. In tegenstelling tot bij ons had deze een rosé kleur. Het was anders dan anders, maar wel lekker en fris. We hebben er elk drie grote glazen van gedronken. Daarna hebben we zoals in Spanje gebruikelijk is, van een siësta genoten. Het doet deugd de rugzak te kunnen afzetten en languit op een bed te kunnen liggen. Tegen de avond gingen we in het restaurant van het hotel eten. We kregen vissoep en varkensgebraad met sla en frites en natuurlijk rode wijn. Georges vond de vissoep van de dag ervoor lekkerder. Ze was anders, maar ik vond ze toch prima. Nadien namen we nog ijs als dessert en koffie.
Voor we terug naar de kamer gingen informeerden we bij de gastvrouw of we ’s morgens voor zeven uur het hotel zouden kunnen verlaten. Dit was geen probleem, de deur van het hotelvertrek bleef de ganse nacht open. Bij het slapen gaan werd ik gewaar dat het zeer lekkere eten wat te zwaar voor mijn maag was uitgevallen. Ik ondervond moeilijkheden om de slaap te vatten. Misschien werd het ook wat in de hand gewerkt door het gesnurk van Georges . Ik heb nog een hele tijd wakker gelegen. Deze keer hielpen zelfs de oorstoppen niet. Uiteindelijk ben ik dan toch maar in dromenland verzeild geraakt.
Dag 20 - zondag 6/6/2004 - Van Villarente naar León
Om 6:00u stonden we op en namen ons ontbijt aan een tafel op het terras vóór het hotel. We zagen al verschillende pelgrims passeren. Deze moeten zeker in Mansilla de las Mulas om 4:30u zijn opgestaan. Onder hen zagen we twee van de vier West-Vlamingen stappen. Nadien zagen we ook nog het oudere Franse koppel. Voor hun leeftijd konden zij nog zeer goed stappen. De vrouw moest voor de man niet onderdoen.Van hieruit was het een vrij mooie wandeling richting León.
In Puente Castro, een randgemeente van Leon, beklom Georges een moeilijk toegangbaar bergje om van daaruit een foto te maken van de stad. Op zich is dat niets speciaals. Alleen heeft Georges af en toe pech met zijn fototoestel en heeft hij heel wat tijd nodig om zijn apparaat in gang te krijgen of af te zetten. Iets verder hebben we in een winkel, die op zondag nog open was, ons eten gekocht. We verkozen in Leon om naar de refugio Monjas Benedictinas de Santa Maria de Cavajal te gaan. In de hal aan de poort plaatsten we onze rugzak achter de twee die er al waren. Eén ervan was van een Oost-Duitser. Na een korte babbel lieten we de rugzak alleen en slenterden we wat rond om hier en daar enkele foto’s te trekken zoals van de kerk St. Anna, niet ver van de Plaza Santa Maria del Camino.
In die kerk bleek nadien een lijkdienst te worden gehouden; wat voor ons op een zondag ongebruikelijk is. In de hal – vóór de poort van de refugio - hebben we kort voor we binnen mochten nog wat gebabbeld met enkele pelgrims. Het ouder koppeltje was intussen ook gearriveerd. Toen de poort van de refugio openging lieten we ons inschrijven. De hospitalieri waren vrijwilligers die enkele weken van hun verlof spendeerden om de pelgrims van dienst te zijn. Hij die ons inschreef was een donkerkleurige man uit Madrid. Dit werk was voor hem een stuk verlof. Hij vertelde dat hij zoals vele Spaanse koppels gescheiden was en dat dit voor hem nog een vorm van ontspanning was. Wij kregen een bed in een zaal voor mannen, links de trapzaal op tot aan de eerste verdieping. De andere zaal was bestemd voor vrouwen en voor koppels.
Na onze was en onze plas besloten we om Leon te gaan bezichtigen. We gingen vlakbij achter een kerk in een bar eerst iets drinken. Daarna kwamen we aan de kerk San Isidoro el Real. Dit is – architectonisch gezien - de belangrijkste Romaanse kerk van Spanje. Daar de eucharistie nog bezig was, hebben wij achteraan op een stoel plaatsgenomen. Deze viering was zeer verzorgd en de gezangen waren uitermate mooi. Na de mis hebben wij de kerk van binnen en van buiten gefotografeerd. In deze stad staat eveneens een gebouw van Gaudi dat “de botinnekes” heet. Deze vindingrijke architect heeft ook daar zijn stempel op gedrukt. In een drukke straat met verschillende restaurantjes zijn we van de honger in een mooi verzorgd restaurant iets gaan eten. Mijn schotel - zeevruchten assortiment in vinaigrette - viel nogal klein en zuur uit. Georges vond dat we nog een kaasschotel moesten nemen om de gaten te vullen. Doordat de kathedraal nog tot 17:00u gesloten was, zijn we naar Hostal Parador de San Marcos gewandeld. Wat ooit een klooster was is nu een prachtig maar duur hotel. Vóór het gigantische wondermooie gebouw is een zeer groot plein aangebracht met kleine fonteinen en zitbanken. Nergens was er een plaats in de schaduw.
Het werd mij stilaan te heet. Terwijl Georges nog wat bijkomende foto’s ging trekken ben ik op een bank gaan zitten in de vlakke zon. Gelukkig had ik mijn hoed op. Op onze stappen terugkerend hebben we onderweg in een tiënda, die gelukkig nog open was, elk een blikje bier en voor ons samen een fles wijn gekocht. Om 17:00u was de kathedraal terug open. Deze kerk is gekenmerkt door een gamma van zijkapellen, door haar prachtig altaar en door haar zeer mooie maar eenvoudige Mariakapel. Na onze ogen de kost te hebben gegeven, zijn we op de terugweg nog enkele pinten gaan pakken. In de refugio hebben we brood en beleg gegeten dat we doorspoelden met de wijn die we pas hadden gekocht.
Vóór het slapengaan konden we genieten van een avondgebed samen met de nonnetjes in de kapel van het klooster. Dit was zeer mooi en sereen. De man die ons had ingeschreven vertaalde het belangrijkste wat er werd gezegd in het Engels, zodanig dat we er toch iets van konden begrijpen. Zulk rustgevend moment zorgt ervoor dat men ’s nachts goed kan slapen.
Dag 21 – maandag 7/6/2004 - Van Leon naar Villar de Mazarife
Om 6:00u stonden we op. Links van de ingang van de slaapzaal was de refter. Daar namen we nog eerst ons ontbijt, dat we met wat water doorspoelden. We vertrokken met goede moed. We volgden in de stad niet altijd de St. Jabobsschelpen die op de grond waren aangebracht, maar oriënteerden ons richting San Marcos. Overal was het druk: vele mensen gingen naar hun werk en op verscheidene plaatsen waren arbeiders volop bezig de straten te reinigen.
Ik weet niet hoe het komt, maar ik had op dat moment hetzelfde herkenbare gevoel dat ik vroeger steeds op een maandagmorgen had. Na een tijdje stappen en wat zoeken bereikten we het plein aan St. Marcos. Links van St. Marcos voorbij het plein staken we de Rio Bernesga over en liepen door een parkje. Ook hier zagen we snel stappende kantoorbedienden en moeders met hun schoolbengels. Het dag dagelijks leven is er net zo haastig als bij ons. Wat later belandden we in een randgemeente van Leon. Hier liepen we onafgebroken langs de grote baan.
In een bar langs deze weg hebben we even halte gehouden om koffie te drinken. Daarna, na een poos stappen, splitste de wandelweg. Ofwel richting Villadangos des Páramo ofwel richting Villar de Mazarife. De eerste liep parallel met de grote baan, de andere liep door een natuurgebied. Volgens het boek van Georges zou deze laatste weliswaar langer, maar wel veel mooier zijn. We besloten de mooiste weg te volgen.Het boek had gelijk. Deze weg liep door een prachtig natuurschoon. In ieder geval veel mooier dan wat we langs de baan gezien hadden.
Na een korte tijd stappen zaten we middenin een afwisselende natuur. Links van ons op nog geen honderd meter zagen we een ooievaar naar eten zoeken. Hij of zij stoorde zich niet aan ons en ging gewoon zijn of haar gangetje. Een hele tijd later hebben we onderweg in een dorpje op een bank ons brood gegeten. Een vlijtige man had daar juist gedaan met het maaien van het gras. Het rook er fris.Uiteindelijk bereikten we ons doel. We waren eerst enkele huizen buiten het dorp gepasseerd waar logement werd aangeboden. Dit was echter iets te chic voor ons. Iets verder, juist vóór de dorpskern, zagen we een pijl naar links met daarop ‘refugio de Jesus’. Dit vonden we aanlokkelijk genoeg om ons daar aan te melden. We kregen na de stempel een kamer links van de ingang aangeboden.
Zoals gewoonlijk sliep ik in het onderste en Georges in het bovenste bed. Buiten ons deelde Ruth nog de kamer. Zij sliep aan de andere kant. De binnenkoer was mooi aangelegd. Na de douche en de dagelijkse plas probeerde ik een e-mail naar Rita te sturen. Daar ik mijn gebruikersnaam en paswoord thuis had vergeten, moest ik beroep doen op een vriendelijke Spanjaard of Portugees, die vlot Engels sprak. Hier heb ik mijn eerste verslag doorgestuurd naar Rita met de vraag dit aan Leo Wens te geven als artikel voor het parochieblad. Eens het mailen achter de rug was slenterden we door het dorp op zoek naar eten.
Alles was nog dicht, behalve één restaurant. Daar zijn we dan maar gaan eten. Georges hoopte door ’s middags warm te eten ’s nachts beter te kunnen slapen. Eerst kregen we een salada mixta, daarna vlees met frites begeleid van - het kan niet anders - een fles rode tafelwijn. Om af te sluiten dronken we op voorstel van Ruth die mee was gaan eten nog een glas Spaanse cognac. Na het eten was de siësta voorbij en gingen de winkels terug open, zodat we onze aankopen konden doen. Bij het terug gaan naar de refugio kwamen we voorbij een museum met gratis inkom. In feite was het een huis van een keramiekkunstenaar die hiermee klanten lokte. Het was wel allemaal mooi maar ik vond niet direct iets dat mij aanstond.
Tegen de avond aten we nog wat brood en dronken we van de in de winkel aangekochte wijn. Vóór ons zaten vier Italiaanse jongens uit Firenze die volgens hun zeggen in Leon waren vertrokken. Doordat zij vrij goed Engels spraken was het mogelijk om met hen een klap te doen. Nadien zaten we nog bij Ruth en enkele andere logees aan tafel en dronken daar nog een glaasje wijn. Nadien zijn we zoals het hoort stilletjes gaan slapen. Alles verliep zeer rustig en sereen.
Dag 22 – dinsdag 8/6/2004 - Van Villar de Mazarife via Hospital de Órbigo naar Astorga
Zoals steeds was het ’s morgens opstaan en vertrekken. Na door een stuk natuurgebied gestapt te hebben kwamen we in een dorp waar het pas kermis was geweest. Zij hadden daar nog geen tijd gehad om het vuil, de stukken glas en de blikjes drank op te ruimen. Omdat mijn drinkzak niet meer zo vol was ging ik deze aan een dorpskraan vullen. Er kwam maar een klein straaltje water uit. Met veel geduld kreeg ik deze waterzak halfvol.
Na enige tijd konden we reeds van ver Hospital de Orbigo zien. Na een tijdje stappen staken we de grote baan over en gingen door de stad. Terwijl we de zeer lange brug over een erg klein riviertje wilden oversteken, kwam de vriendelijke Fransman uit het Baskenland ons tegemoet om ons een hand te geven. Hij begroette ons met de woorden: ‘bonjours les amis Belges”. Hij vertelde ons dat ze in een gezellig pensionnetje een goed onderkomen hadden gevonden en dat het stappen voor hen vandaag welletjes was geweest. Zijn vrouw zagen we iets verder om boodschappen gaan. Ze waaide ons toe.
Op een gegeven ogenblik moesten we kiezen: ofwel op een wandelweg naast de baan, ofwel door de volle natuur. Deze laatste keuze zou er voor zorgen dat we nog wat extra kilometers te verwerken kregen. Op dat moment was ik het stappen een beetje moe geworden. Ik verkoos de eerste keuze, Georges de laatste. Na een korte woordenwisseling, waar Georges verrassend uit de hoek kwam, besloten we dan toch maar de mooiere maar langere weg te volgen. Ik was enigszins verrast en eigenlijk Georges ook. Nadien heeft hij zich verschillende malen verontschuldigd voor zijn reactie. De spanning tussen ons werd in het volgende dorp door een goede pint weggespoeld en alles was terug zoals het hoorde. Het zou onrealistisch zijn te denken dat twee vreemde mensen, die samen bijna drie weken op weg zijn, gespaard zouden blijven van enig conflict, laat staan woordenwisseling.
Het landschap tussen Hospital de Orbigo en Astorga via Villares de Orbigha en San Justo de la Vega was wondermooi. Het ging er gestadig berg op en af. We genoten van veel mooie vergezichten. Onderweg kwamen we een Zwitser tegen samen met een jonge man; volgens mij zijn zoon. Dit stel hadden we al eerder ontmoet. De man sukkelde met blaren aan zijn voet en geraakte nog moeilijk vooruit. Niettegenstaande de pijn die hij leed was zijn moraal nog vrij goed.
Iets voorbij San Justo de la Vega konden we van verre al de torens van Astorga zien.In de stad aangekomen vonden we naast een parkje de gemeentelijk refugio. Gelukkig waren er nog bedden vrij. We vonden een bed in één van de zalen. De Zwitserse dame met name Katrien, waarmee we in San Juan de Ortega aan dezelfde tafel hadden gezeten, sliep in een bed tegenover die van ons. Op het bed onder dat van haar sliep haar vriend. Deze zeer breed geschouderde en goed gespierde man had enorm veel last aan zijn voeten. Doordat het stiksel van één van de schoenen van Georges was los gekomen, zochten we naar een schoenmaker. Na wat navragen en zoeken vonden we iets verder in een zijstraat een schoenmakerij. Deze vriendelijke man bekeek de schoen en zonder al te veel woorden repareerde hij het stiksel. Georges hoefde hiervoor zelfs niets te betalen.
Van de grote dorst zijn we onderweg in een bar een grote pint gaan drinken. Op de terugweg, terwijl we onze aankopen deden, voelde ik mij misselijk worden. Boven een rioolputje heb ik drie maal moeten overgeven. Mijn eetlust was op een drastische manier voorbij. Ik bleef me misselijk voelen en kroop maar in mijn bed. ’s Nachts kreeg ik geweldige buikkrampen en moest dringend naar het toilet. Nadat mijn lichaam volledig leeg was, voelde ik mij al stukken beter. Ik heb de rest van die nacht vrij goed geslapen. Volgens Georges was dit het gevolg van het water uit de kraan in het kermisdorp. Dat zal hoogstwaarschijnlijk de oorzaak zijn geweest.
Dag 23 – woensdag 9/6/2004 - Van Astorga naar Rabanal del Camino
Bij het opstaan werd ik gewaar dat de misselijkheid over was. Ik nam me wel voor voorzichtig te zijn met eten en drinken. Voor we vertrokken at ik twee potjes yoghurt en een appel. Onderweg heb ik wat water en nadien in een bar een tas koffie gedronken. Later op de dag heb ik nog twee cola’s gedronken. Men zegt dat dit goed is voor de maag. Het zal wel zo zijn, want ze hebben mij goed gesmaakt en mijn maag reclameerde niet.
Het landschap onderweg was mooi. We liepen de ganse tijd bergop. Het was te merken dat we niet zo ver meer waren van Cruz de Ferro - het hoogste punt van onze Camino. In Rababal zochten we naar de fameuze refugio van de Engelse Confraternity of Saint James. Hier aangekomen deelde een man ons mee dat de poort eerst om 15:00u zou open gaan. Deze man - was het een pater of een vrijwilliger - stuurde ons dan maar door naar de gemeentelijke refugio iets verder weg. Dit onderkomen bleek uiteindelijk een voltreffer te zijn. Het was een zeer verzorgde refugio met een zeer mooie patio en omringd door verzorgde gebouwen. We werden wel uitgenodigd om na de stempel eerst onze wandelschoenen uit te doen en deze op een rek links achteraan de patio te plaatsen.
We kregen bij de inschrijving een stempel en in een kamer een bed toebedeeld. Na de was en de plas hebben we onder het afdak op de binnenkoer, waar eveneens het restaurant was ondergebracht, een sla met tonijn gegeten. Dit smaakte mij zeer. Hierdoor werd ik gewaar dat de misselijkheid van de dag daarvoor over was; gelukkig maar. Zoals gewoonlijk spoelden we dit door, maar dit maal met twee pinten bier. Na wat gerust te hebben zijn we naar de kloosterkerk van de Benedictijners gegaan om daar de vespers bij te wonen. Bij het binnenkomen nam ik een boekje in het Duits. Een pater had dit gezien en nodigde mij al direct uit om tijdens deze viering een Duitse tekst voor te lezen. Ik kreeg een plaats toebedeeld aan de zijkant van het koor tussen de paters.Ik was niet de enige uitverkorene. Drie andere pelgrims die ook nog een tekst in hun taal zouden voorlezen zaten rechts van mij. Links van mij zaten paters.
Tijdens deze dienst kwam ik door de mooie gezangen van de paters volledig tot rust. Het was bewonderenswaardig hoe mooi zij hun gebeden verzorgden. Het is enorm welke invloed muziek op een mens kan hebben. ’s Avonds genoten we van het warm eten dat ons in de refugio werd voorgeschoteld. We zaten aan tafel met drie Australische koppels. Het duurde niet lang of wij hadden een vrij geanimeerd gesprek dat hoofdzakelijk ging over het verschil tussen Franse en Australische wijnen.
Eén van deze koppels vertelden dat ze na de Camino nog een fietstocht in de Côtes de Rhône hadden gepland. Uiteraard vertelde ik hen over het genot van de wijn (Château Neuf du Pâpe), het stokbrood en vooral de overheerlijke kazen.Tegen de avond werden we nog uitgenodigd om in dezelfde kerk de pelgrimszegen te ontvangen. Dit was mooi en sereen. Ik genoot er met volle teugen van. Bij het terugkeren naar de refugio liepen we enigszins op wolken. Georges was in een muzikale bui en zong het avondlied van de scouts. Het werd een rustige nacht.
Dag 24 – donderdag 10/6/2004 - Van Rabanal del Camina naar Ponferrada
Alhoewel we de ganse dag bergop klommen, ging alles aanvankelijk goed. Klimmen is iets waar ik normaal nooit problemen mee heb gehad. Ik beschik over een goede ademhaling en mijn benen laten mij niet in de steek. Erger eraan toe waren de fietsers. Velen van hen moesten afstappen en hun fiets te voet voortduwen. Hier en daar was er een taaie die met een kleine versnelling alles op alles wou zetten om toch maar verder te kunnen rijden. Heel het parcours liep door een prachtige streek.
Onderweg hoorden we al van ver verscheidene malen een bel rinkelen. We waren in de buurt van Foncebadón toen we enkele mannen zagen, waaronder één met een Tempeliers kazuifel die de bel rinkelde. Wij werden door hen zeer hartelijk verwelkomd en kregen een busje drinken aangeboden terwijl we ons enkele minuten konden zetten. Hij vertelde ons dat het rinkelen van de bel een symbool van gebed en zegen was naar de pelgrim toe. Dit symbool werd herhaald telkens er een pelgrim voorbij kwam. Ik was blij dat we daar wat konden uitrusten. Nu deed mijn rechtervoet pijn. Maar ja, de plicht roept en na enkele minuten besloten we door te gaan.
Na een hele tijd van inspanning zagen we uiteindelijk in de verte Cuz del Ferro (ijzeren kruis). In tegenstelling tot wat ik verwachtte was het daar een heel lawaaierige bedoening. Arbeiders in de buurt van het kruis waren het bos aan het rooien en bomen met kettingzagen aan het snoeien. Ik was blij dat we er uiteindelijk waren. Alhoewel het neerleggen van de stenen door het lawaai niet zo sereen en rustig verliep als ik had gehoopt, vond ik het toch een zeer speciaal moment. Ik heb er de vier stenen neergelegd die ik van thuis had meegenomen. Ik heb in stilte gebeden voor mijn gezin toen ik er een steentje uit onze tuin neerlegde, voor de parochie toen ik het steentje dat in Hoevenen aan het Mariabeeld lag neerlegde, voor twee zieke mensen toen ik hun steentje naast dat van de andere legden.
Intussen nam Georges, mij met mijn toestel enkele foto’s van het gebeuren. Nadien heb ik voor hem en voor Ruth, die daar ook arriveerde, hetzelfde gedaan. Voor mij was dit een hoogtepunt van mijn bedevaart waarnaar ik al lang had uitgekeken.Toen ik van deze stenenberg naar beneden kwam kon ik nog nauwelijks gaan. Niet mijn linker maar dit maal mijn rechtervoet liet mij voor het eerst in de steek. Ik had enorm veel pijn. Het was alsof hij was doorgezakt; misschien wel iets gebroken. Georges maakte zich erg ongerust en merkte op dat mijn bottinnen precies wat te groot waren. Ik had wel de indruk dat ze door al dat stappen uitgezet waren. Veiligheidshalve deed ik andere kousen en andere schoenen aan. Bij het rechtstaan merkte ik dat er geen beterschap was. Ik kon bijna niet meer gaan en was ten einde raad. Als dit zo verder moest was hier de camino voor mij afgelopen. Met veel pijn strompelde ik verder tot aan het volgende dorp.
Ik stelde Georges voor om in een bar voor mij een taxi te bellen die mij naar een refugio – misschien best die van Ponferrada – zou brengen. In El Acebo aan de grote baan gekomen wenkten we naar voorbij rijdende auto’s. Na een tijdje stopte er eindelijk één. Het was er één met een Nederlandse nummerplaat. Niettegenstaande de auto propvol geladen was, maakten deze vriendelijke Nederlanders toch nog plaats voor mij en brachten mij naar Ponferrada. We reden door een van de mooiste plaatsen van de Camino. Het was precies of we zaten midden in Tirol. In de stad aangekomen werd het zoeken naar de refugio. Vóór de deur van een bank zagen we drie politieagenten die volop bezig waren een man – type landloper – te overmeesteren. Deze had waarschijnlijk iets op zijn kerfstok en was terwijl hij tegenstribbelde aan het roepen en tieren. Wat de juiste oorzaak was weet ik niet. Het was maar een nare bedoening. Daar we de refugio niet konden vinden stelde de Nederlander mij na enige tijd zoeken voor een taxi te nemen. Ik nam afscheid van deze vriendelijke mensen en nestelde mij in een taxi. Deze reed een paar straten verder, iets voorbij de tempelierburcht, tot aan een refugio.
Na de taxi betaald te hebben strompelde ik het voorplein op van deze prachtige refugio en melde mij daar aan. De hospitalieri waren Duitsers. Nadat een tachtigjarige Belg uit Leuven zich had laten inschrijven, was het mijn beurt. Ik vertelde hen wat er gaande was. Zij gaven mij wat fruitsap te drinken en verzekerden mij dat ik, indien het morgen niet beter was, hier gerust een dag langer zou kunnen rusten. Ik kreeg een bed in een kleine maar mooie kamer samen met Staf, een boer uit Leuven. Het klikte direct tussen ons. Hij was een zeer gezellig man die zeer sappig kon vertellen. Rond vijf uur arriveerde Georges. Hij was verder gestapt dan gepland. Oorspronkelijk was de stop voorzien in Molinaseca, waar een refugio bestaande uit tenten was ondergebracht. Hij had nog 7,7 km extra gestapt. In een blakende zon is dit helemaal geen sinecuur. Het was begrijpelijk dat hij moe was.
Georges vroeg of ik reeds een dokter had geraadpleegd. Ik had nog geen stappen ondernomen. Ik informeerde bij de hospitalieri naar een telefoonnummer van een dokter. Zij vonden het beter om me in een hospitaal te laten onderzoeken. Zo gezegd zo gedaan. Na een klein ritje met de hospitalieri kwam ik aan de receptie van een hospitaal. De echtgenote van de hospitalieri, die net als haar man Duitse was, sprak vloeiend Spaans en was meegegaan om als tolk te fungeren. Na de inschrijving bij de receptie werd mijn voet door een dokter onderzocht. Hij betastte deze langs alle kanten en kwam tot de conclusie dat er geen fractuur opgetreden was. Ik kreeg een zalf en het advies om enkele dagen te rusten. Veiligheidshalve belde ik Rita op om thuis Europe Assistance te verwittigen. Zij belde mij nadien de nodige info door, het telefoonnummer, het polisnummer en het dossiernummer. Moest het erger worden zou ik de naam, straat en telefoonnummer van het ziekenhuis moeten doorgeven. Zij zouden dan één van hun dokters sturen om na te gaan of een repatriëring noodzakelijk was.
Terwijl ik nog wat rustte ging Georges met Staf in Ponferrada eten. Hij nam mijn credential mee om deze in de Tempelierburcht te laten afstempelen. Tevens had hij voor mij in een supermarktje een pak paëlla gekocht. In een braadpan heb ik dit iets later op de avond op een zacht vuurtje opgewarmd. Het smaakte helemaal niet slecht. Enkele jonge mensen – ik denk Duitsers - boden mij een glaasje wijn aan. Alle omstandigheden in acht genomen werd het voor mij dan toch nog een vrij gezellige avond. Ik heb nadien Denis nog opgebeld om Sam een gelukkige verjaardag toe te wensen. Hij kon ze zelf niet geven, daar ze in de auto zaten en hij via het koptelefoontje met mij aan het spreken was.Georges en Staf vertelden dat ze in een gezellig restaurantje hadden genoten van hun eten. Die nacht heb ik heel onrustig geslapen.
Dag 25 – vrijdag 11/6/2004 - Rustdag
’s Anderendaags mocht ik in de refugio blijven en Georges eveneens. De mensen hadden mij gevraagd hen te helpen met het vouwen van gebedsfolders. Voor hen zou het een pak minder werk zijn en voor mij was het een mooi tijdverdrijf. Georges daarentegen mocht de kamers poetsen en de bedden allemaal nog eens vastvijzen. Het was verschrikkelijk warm en hij was daar helemaal niet mee opgezet.
Later op de dag heb ik mij in een leeszaal genesteld en een Duits romannetje gelezen over een liefdesverhaal, met de Franse revolutie als achtergrond. In diezelfde zaal lag een Spanjaard die nog niet zo lang geleden zijn voet had gebroken. De man was er erger aan toe dan ik. Voor hem was de tocht definitief voorbij.Georges en ik spraken af dat ik de volgende dag een deel van de tocht met openbaar vervoer zou overbruggen om mijn voet te laten rusten. Hij zou te voet verder gaan om mij later terug te ontmoeten. De hospitalieri vond dit een zeer goed idee. Doch indien ik zou besluiten om nog enkele dagen te blijven, zou ik welkom zijn. Ik deed wat we hadden afgesproken en besloot om per trein naar Sarria rijden.
Die dag was Lissa jarig en ik heb haar uiteraard eveneens opgebeld om haar te feliciteren. Ze was verlegen en wist niet wat zeggen.’s Avonds zijn we zeer langzaam de stad ingetrokken om ergens te gaan eten en om even de burcht van de tempeliers te gaan bewonderen. Na een wandeling in de oude stad besloten we in het restaurant te gaan eten waar gisteren Georges en Staf waren geweest. Iets nadien kwam de Zwitserse Katrien binnen, die bij ons aan tafel kwam zitten. Zij vertelde dat haar vriend nog altijd problemen had met zijn voeten. Zij twijfelde of hij de tocht zou kunnen verder zetten. We spraken nog wat over koetjes en kalfjes terwijl we ons het eten lieten smaken.Op de terugweg naar de refugio zijn Georges en ik in een bar nog een pint gaan drinken. Niet ver van de refugio was het kermis met hoogstwaarschijnlijk een dansbal in een tent. Dit feest duurde zeker tot middernacht zodanig dat ik zeer moeilijk de slaap kon vatten. Ook die nacht heb ik onrustig geslapen.
Dag 26 – zaterdag 12/6/2004 - Van Ponferrada via Sarria naar Barbadelo
Om 6:00u ben ik opgestaan. Georges ging zoals afgesproken te voet verder. Nadat ik van hem afscheid had genomen, heb ik nog wat ontbeten. Ik voelde me helemaal geen 100%. In de refugio ontmoette ik een Duitser die lijkbleek stilletjes op een stoel zat. De man vertelde dat hij de dag ervoor een hartinfarct had gekregen en dat ze hem met de ambulance naar het ziekenhuis hadden gebracht. Het was nu iets beter maar voor hem was de tocht nu definitief voorbij.Nadat ik afscheid had genomen van de zeer vriendelijke hospitalieri begaf ik mij naar het station – in het Spaans: ‘ferrocarril’ . Dit bleek niet vlak bij de refugio te zijn. Met een plan in de hand vond ik na een tijd wandelen de spoorweg. Een eindje verder aan de andere kant ervan lag het station.
Daar aangekomen ging ik naar het loket voor de nodige info. De trein naar Sarria was nog niet zo lang geleden vertrokken. De volgende zou om 15:37u vertrekken, d.w.z. nog meer dan zes uur wachten. Ik moest eerst met de trein naar Monforte rijden om daar over te stappen op de trein naar Sarria. Ik kon kiezen: ofwel terug naar de refugio, ofwel in Ponferrada ander openbaar vervoer gaan zoeken, ofwel wachten. Ik koos voor het laatste. Deze rust zou mijn voet alleen maar ten goede komen. In de bar van het station bestelde ik koffie en een tortillia. Dit smaakte mij goed. Warm zou die omelet met aardappelen en ui toch nog veel lekkerder zijn geweest. Toen ik van mijn tweede koffie aan het drinken was, zag ik een Duitse dame binnenkomen die ik verschillende malen in refugio’s had gezien. Ik deed teken en ze kwam bij mij zitten. Zij had tickets gekocht voor de trein naar Pamplona om vandaar een vliegtuig te nemen naar München. Zij had veel last aan haar knie en had daarom besloten naar huis te gaan. We gingen buiten op een bank zitten en genoten van de zon en van een gezellige babbel over ondermeer opvoeding en kinderen.
Om 13:42u stapte ze op de trein. Haar Camino was voorbij.Ik ben geduldig en rustig blijven wachten tot mijn trein er aankwam; met nauwelijks enkele minuten vertraging. De reis naar Monforte verliep zonder problemen. De trein reed door een prachtig bergachtig landschap. Ik vond het wel spijtig dat ik dit niet te voet kon afleggen. Maar: realistisch blijven en doen wat het verstand ingeeft is nog altijd het beste! In Monforte moest ik een klein uurtje wachten. Aan de bar van het station dronk ik een pint. Op een gegeven ogenblik zag ik daar een trein staan en vroeg aan een conducteur of deze naar Sarria ging rijden. Si señor, het was een trein naar Lugo met een stop in Sarria.In Sarria aangekomen ging ik op zoek naar een refugio. Er zou er een zijn in de calle Mayor (hoofdstraat). Ik vroeg enkele mensen of ze wisten waar die te vinden was. Ze stuurden mij in een richting die achteraf niet de juiste bleek te zijn. Ik vond gele pijlen en volgde deze. Na ongeveer een uur gestapt te hebben door een zeer mooie natuur en met een zere voet kwam ik in een afgelegen dorp. Een dorpeling vertelde mij dat het nog drie kilometer was tot aan de refugio. Dat klopte. Na ongeveer drie kilometer zag ik een huis met een grasveld, een tent en wasgoed aan de draad. Dit was uiteindelijk de refugio. Het was niet in Sarria maar in Barbadelo. Ik kon er blijven, maar er was geen bed meer vrij.
Met mijn luchtmatrasje mocht ik in een soort woonvertrek op de grond slapen. Een Duitser had zetels herschikt om samen met zijn vrouw daarop te kunnen slapen. De hospitaliera zette ze terug op hun plaats met de opmerking dat er anders geen plaats genoeg zou zijn voor anderen. Deze Duitser en zijn vrouw waren hierdoor op hun teen getrapt. Toen ik hen vroeg uit welk deel van Duitsland zij kwamen, vertelden ze dat ze uit het vroegere Oost-Berlijn afkomstig waren. Zij hadden het over hun ervaringen van de perioden vóór en nà de muur. De man vertelde dat hij het destijds nooit had durven dromen om dit alles nog mee te kunnen maken.De hospitalieri vroeg ons om ’s anderendaags voor acht uur de refugio te verlaten. Er zou een conferentie plaats vinden en zij had al de tijd nodig voor de opkuis. Zij kwam nogal bevelend over en liet geen sympathieke indruk na. Honderd meter achter dat gebouw was een caravan met daarnaast een partytent. Hier kon men voeding en drinken kopen, die men in de tent kon opeten. Ik bestelde enkele broodjes en paar glazen wijn. Voor hetgeen ik kreeg was het vrij duur.
Ik maakte kennis met een Nederlander en zijn zoon en twee Duitsers. We vertelden over onze ervaringen en onze fysiek. Toen ze mij terug naar de refugio zagen strompelen vroegen ze mij of het me zou lukken met die zere voet. Ik antwoordde hen dat ik mijn echte tanden nog heb en dat ik er nog op kan bijten. Iets verder vóór de refugio zag ik twee Aziatische meisjes zitten. Ze vertelden mij dat ze Japanners waren. Eén ervan sprak een beetje Engels, de andere een beetje Spaans. Het gesprek was kort maar zeer hartelijk. Na elk woord dat ze spraken begonnen ze te giechelen.Mijn matrasje had ik al eerder uitgerold zodanig dat ik in mijn slaapzak kon kruipen nadat ik de nodige sanitaire besognes achter de rug had. Het duurde niet lang of de vloer lag vol met slapende pelgrims. Buiten een gesnurk hier en daar verliep de nacht heel rustig.
Dag 27 – zondag 13/6/2004 - van Barbadelo naar Portomarin
Ik stond om half zeven op en nam de nodige tijd om mij klaar te maken. Met mijn zere voet leek mij dat het verstandigste. Ik besloot om onderweg in een bar als ontbijt iets te eten. Na een tijdje kwam ik aan een winkel-bar, waar ik enkele pelgrims binnen en buiten zag gaan. Deze winkel – bar combinatie vindt men in de Spaanse dorpjes wel meer. Ik dronk er koffie en kocht bananen en yoghurt.
Iets verder passeerde ik de mijlsteen van 105 km en daarna deze van 100 km. Deze laatste heb ik gefotografeerd en iemand heeft met mijn toestel deze steen samen met mij getrokken. Volgens mij is dit de meest gefotografeerde steen van heel Spanje. Het landschap onderweg was ruraal. Het was gans anders dan datgene wat ik tot hiertoe had gezien. Er waren veel meer bos, weiden en boerderijen. Het was er heel rustig en ik liep er bijna alleen. Iets verder dan halverwege begon de hitte haar sporen na te laten, daarom besloot ik een flinke pint bier te gaan drinken. Mooi weer bevordert meestal de dorst. Na een tijdje wandelen ontwaarde ik in de verte een brede rivier.
Aan de overkant ervan lag Portomarin. Mijn ervaring leerde mij dat ik zeker op zijn minst nog vier kilometer af te leggen had. Uiteindelijk kwam ik aan een lange brug die mij naar deze stad leidde. Op de brug was er een man - vermoedelijk een Italiaan - die de ziel uit zijn lijf aan het zingen was met Italiaanse straatliedjes. Beneden bijna onder de brug was er iemand de rivier aan het overzwemmen. Het was hoogstwaarschijnlijk niet zijn eerste keer.In de stad aangekomen moest ik om in het centrum te geraken via een hoge stenen trap naar boven richting de kapel Virgen de las Nieves. Vandaar volgde ik een grote groep pelgrims richting refugio. Het zag er een gezellig toeristisch stadje uit, met een lange promenade overdekt met luifels en voorzien van een diversiteit aan winkels, bars, hotels en restaurants.Voorbij de kerk lag de stedelijke refugio. Deze was op dat ogenblik nog gesloten.
Ik plaatste mijn rugzak in de rij en wachtte tot de deur openging. Zoals bij elke refugio liet ik mijn credential – geloofsbrief – afstempelen en zocht een bed op. De nodige discipline in acht nemend ging ik me wassen en waste mijn kleren.Wanneer alles geregeld was ben ik een paar pinten gaan drinken en nadien wat gaan rusten. Rond drie uur ging ik eten in een rustigere bar en heb daarna in een supermarktje mijn aankopen gaan doen. In de stad zag ik hier en daar enkele mensen die ik al eens eerder had ontmoet.In de refugio, toen ik aan het rusten was, kwam ik een Belg uit Brugge tegen die al jaren in de Walen woonde. Hij was vergezeld van een Fransman. De Belg sprak zeer goed Frans, maar toch kon ik horen dat het een Belg was. Hij zag dat ik hun gesprek kon volgen en vroeg me waar ik vandaan kwam. Toen de Belg vernam dat ik van Antwerpen kwam zei hij met een namaak accent: ‘dan zedde gaai nen echte Vloaming’. We hebben wat ervaringen uitgewisseld, maar veel contact heb ik met die mensen verder niet meer gehad. Kort daarop ging de Fransman iets verderop in het stuwmeer zwemmen Nadien vertelde hij me dat het hem enorm deugd had gedaan. Na mijn was van de draad te hebben gehaald ben ik vroeg in mijn bed gekropen. Hierdoor kon ik mijn voet de nodige rust gunnen. Het duurde een tijd voor ik de slaap kon vatten. Het werd een rustige nacht.
Dag 28 – maandag 14/6/2004 - Van Portomarin naar Eirexe
Nadat de meeste vertrokken waren ben ik rond zes uur opgestaan. Na een rustig ontbijt in de refugio ben ik met mijn zere voet vertrokken. Het was nevelig en frisser dan anders. Ik moest langs dezelfde weg terug tot aan de brug om enkele honderden meters verder het water over te steken via een dijkbrug. Vanaf dan was het steeds maar klimmen om van 350 m boven de zeespiegel naar 717 m te komen. Onderweg waren het terug van die mooie landschappen met heel wat boerderijen. Na 12 km kwam ik uiteindelijk een bar tegen waar ik een koffie kon drinken. Het werd alsmaar warmer. Van Rita had ik vernomen dat het in ons Vlaamse land een pak frisser was en dat ze de tuin nog geen enkele keer had moeten sproeien. Uiteindelijk kwam ik in Eirexe aan.
Aan de ene kant van de baan was een bar en aan de andere kant de refugio. Deze laatste ging eerst om 13:00u open. Ik was meer dan een uur te vroeg. In de bar zette ik mij aan de toog, stempelde zelf mijn credential af en bestelde een pint met wat knabbel erbij. Daarna ging ik mij nestelen op een bank in de voortuin van de refugio. Naast mij zat een Amerikaans meisje met windels om haar knieën. Aan de andere kant van de deur zaten een groep Spaanse jongeren. Enkele ervan waren vrij luidruchtig. Uiteindelijk bleek een deel ervan mentaal gehandicapten te zijn. Zij werden begeleid door leiders en een leidster. Eén van die leiders kon zich verstaanbaar maken in het Engels en kwam kennis maken. Het waren allemaal toffe mensen die voor hun vakantie de laatste 100 km van de Camino gingen afleggen.
Het Amerikaans meisje vertelde me dat haar vriend al verder was gegaan en dat zij omwille van haar knieblessure trager vorderde. Ze vertelde dat aan de overkant van de baan waarschijnlijk een dierenarts in de boerderij was binnengegaan. Zij had iemand met rubberen handschoenen en botten aan de stal zien binnenstappen; vermoedelijk om de geboorte van een kalf te begeleiden. Ze vertelde dat juist voor haar vertrek thuis haar geit lammetjes had gekregen. Zij liet mij de foto ervan zien.Terwijl we aan het praten waren kwam er een kip naar ons. Het meisje wierp een stukje koek naar het dier. Dat viel zeer duidelijk in de smaak van dit beest. Ze was bij ons niet meer weg te slaan. Een stukje brood dat ik haar toewierp liet ze ostentatief liggen. Nadien heeft ze de ganse tijd aan de voeten van dat meisje gelegen.
Uiteindelijk werd het 13:00u en kwam de hospitalieri de deur openen. De leider van de groep jongeren hield zijn knapen tegen en ik mocht als eerste binnenstappen. Toen ik mijn credential toonde voor een stempel, bleek deze dezelfde te zijn als die van de bar. Beide etablissementen werden door hetzelfde gezin uitgebaat. Toen ik mijn bed had geïnstalleerd kwam de Methodist minister in het slaapvertrek. Ik had hem al eens enkele dagen eerder opgemerkt. Een paar dagen daarvoor hoorde ik hem nog tegen een ploeg Engelsen vertellen dat ook zijn vrouw een Methodist minister was. We geraakten aan de babbel en besloten om samen te gaan eten. We hebben tijdens het eten vooral gepraat over zijn en mijn gezin, zijn echtscheiding, zijn nieuwe relatie met een vrouwelijke minister en vooral over de reactie van zijn oversten. Binnen korte tijd zou hij met zijn vrouw verplaatst worden naar Liverpool om daar een geloofsgemeente te gaan leiden. Hij vertelde mij dat zijn naam Philip was en deze van zijn tweede vrouw Jenny.
’s Avonds hebben we nog samen een bocadillo gegeten en twee donkere Grimbergen van ‘t vat gedronken. Natuurlijk kon ik niet nalaten hem dit lekkere Belgische bier aan te prijzen. Hij ging daarna enkele kilometers verder nog een tempelierkerkje opzoeken. Ik verkoos om te gaan slapen omwille van mijn voet. Het duurde enige tijd voor ik kon inslapen. Daar er nog maar één bed vrij was en dan nog een bovenbed, vroeg een jong koppel of ik bereid was met hen van bed te wisselen zodat zij samen in een onderbed zouden kunnen liggen. Omdat ze het zo mooi vroegen heb ik mijn goed hart maar laten zien. Als beloning heb ik goed kunnen slapen.
Dag 29 – dinsdag 15/5/2004 - Van Eirexe naar Palas de Rei
Ik ben als laatste uit bed gekomen en had heel het sanitair voor mij alleen. Alvorens te vertrekken heb ik in de bar aan de overkant van de weg een koffie gedronken en een croissant naar binnen gespeeld. De vier West-Vlamingen die Georges kenden kwam ik daar tegen. Ik vertelde hen het verhaal van mijn voet en dat Georges nog onderweg was. Ik moest hem nog veel groeten doen. Onderweg was het rustig wandelen. Aan een Australischachtige windmolen zag ik de minister aankomen. Hij vond deze molen zeer bijzonder. We hebben daar van elkaar een foto genomen uiteraard met de windmolen op de achtergrond.Vermits de af te leggen afstand niet zo groot was, duurde het niet lang voor ik in Palas de Rei aankwam.
Aan een man vóór het stadhuis vroeg ik of hij wist waar de refugio was. Hij kende het niet, hij was niet van de streek.Ik draaide mij om en zag aan de overkant van de straat een kenteken van de refugio hangen. In een winkel iets verder in de straat ben ik eten gaan kopen. Een deel ervan heb ik op een bank vóór de deur van de refugio opgegeten. Het was de eerste maal dat ik zulk lekker brood at. Het was op zijn Frans gebakken, d.w.z. een krokante korst en lekkere kruim. Terwijl ik ervan genoot zag ik veel volk passeren o.a. Philip, die mij vertelde dat hij in een reisagentschap iets verder in de straat reeds zijn vliegreisbiljet was gaan kopen. Hij nam afscheid en ging verder. Na een tijd stond het daar vol met wachtende pelgrims, onder hen het groepje gehandicapten. Zij waren zeer enthousiast me terug te zien. Verschillende van hen kwamen mij een hand geven.Toen de deur openging en ik mij als eerste voorzien had van een stempel, zocht ik mij een bed uit in een zaaltje niet ver van een balkon. De kamers waren ruim en de bedden stonden ver uiteen. Kort daarop waren alle bedden volzet met vermoeide pelgrims.
Na de was en de plas zag ik op het balkon Georges voorbij komen. Ik riep naar hem en ging naar beneden. Hij informeerde hoe alles was en vertelde mij dat hij dringend naar huis moest. Zijn vrouwtje had hem dit gevraagd. Daar ik toch niet zo goed te been was, was het beter dat hij alleen verder stapte. Doordat we beiden met een probleem te kampen hadden konden we samen niet aankomen in Compostel wat enigszins spijtig was. Hij had onderweg nog verschillende bekenden tegengekomen zoals Katrien, Ruth en Willy.Toen ik van Georges afscheid had genomen en terug naar mijn kamer ging liep ik Willy in de gang op het lijf. We waren blij elkaar terug te zien en spraken af om rond half drie samen te gaan eten. Tijdens het wachten had iemand mij in de voormiddag een folder gegeven met reclame van een restaurant, enkele straten verder. We besloten daar naartoe te gaan.
In dat restaurant kregen we een menukaart met enkel maar foto’s en zonder tekst. De patron vond dat dit verstaanbaar was voor alle pelgrims. Ik bestelde soep, fishsticks , frites, ijs en koffie. Willy dronk cola en ik een glaasje wijn. Als afsluiter trakteerde de patron met een soortement elixir. Het eten en drinken had mij zeer goed gesmaakt.Nadien hebben we van elkaar afscheid genomen en ben ik van de siësta gaan genieten.Tegen de avond ging ik in een bar een biertje drinken. Daar het al zes uur voorbij was belde ik Rita op voor de dagelijkse info van het thuisfront. Toen ik na ons gesprek mijn GSM uitschakelde zei een man aan een tafel in de bar: ‘Gij zij zeker van Aantwaarpe?’ Hij kwam uit het Leuvense en ik denk zijn compagnon uit Steenokkerzeel. Ik ging bij hen aan tafel zitten en we hadden een gezellige babbel. Op zijn aanraden dronken we een glas cider. Dit lest volgens hem veel beter de dorst dan al dat bier.
Om af te sluiten eindigden we met een flinke Spaanse borrel.Ik heb ’s avonds voor de deur van de refugio nog wat gegeten. Het was er gezellig zitten in de avondzon met de hoed op het hoofd. Volgens mijn routebeschrijving moest ik nu nog 62 km afleggen. Ik plande dit in drie dagen te doen.Palas de Rei is een kleinere stad met zeer veel Spaanse toeristen. De meeste had ik onderweg zien stappen zonder rugzak. Zij hadden het een stuk gemakkelijker dan de pelgrims. Terug in de refugio aangekomen merkte ik dat ik tot de gelukkigen behoorde: ik had tenminste een bed. Overal in de gangen en trapzalen hadden mensen matrassen op de grond gelegd. Het was uitkijken waar je je voeten plaatste. Dit was een beetje teveel van het goede. Geef mij maar de rust op de boerenbuiten. Maar ja, Compostela was niet meer ver af.
Dag 30 – woensdag 16/6/2004 - van Palas de Rei naar Melide
Ik stond rond 06:15u op en nam alle tijd om me klaar te maken. Na het eten van een yoghurt en een banaan ben ik om 7:30u opgestapt. In het begin vlotte het niet zo goed omwille van mijn voet. Ik besloot in Melide te stoppen en niet door te gaan tot in Arzua. Dus 15 km i.p.v. 28,6 km. Eerst moest ik een beetje zoeken om via de juiste weg uit het stadje te geraken. Iets verder vond ik de pijlen terug. Vanaf dan was het helemaal geen probleem meer om de juiste weg te vinden. Onderweg kwam ik veel pelgrims tegen. Een groot deel ervan waren jonge Spaanse pelgrims. Na een uur stappen was ik blij dat ik uiteindelijk een bar tegenkwam. Ik was aan een koffie toe. De koffie die ik kreeg – een grote espresso - was lekker, maar verloste mij spijtig genoeg niet van de zere voet.
Een tijd later kreeg ik grote honger en besloot in een volgend dorp een boccadillo met Franse tortilla te eten. Was het door dat ei of was het door de pil Voltaren, ik weet het niet, maar de pijn van mijn voet trok weg. De gedachten kwamen in mij op om toch maar naar Arzua te gaan. Doch ik volgde mijn verstand en besloot dit maar niet te doen.In Furelos aan de poort van de kerk werd ik door een priester uitgenodigd zijn kerk eens te komen bezichtigen. Hij gaf mij een stempel in mijn boek en nadien een hele uitleg over de kerk en alles wat erin stond. Hij sprak zeer vloeiend Frans. Met zijn Spaans accent was het voor mij niet zo eenvoudig om hem te begrijpen.
Het oude kerkje was gebouwd in Romaanse stijl en bevatte zeer veel waardevolle beelden en kunstschatten, waaronder het altaar en een kruisbeeld gemaakt door een lokale kunstenaar. Het typische aan dit kruisbeeld was dat de rechter hand van Christus naar de mensen reikte en niet aan het kruis was vastgenageld. Na zijn uitvoerige uitleg bedankte ik hem en stak wat geld in de offerblok. In tussentijd waren er andere pelgrims binnengekomen die hij op hun beurt verwelkomde en waaraan hij zijn uitleg deed.
Onderweg heb ik nog even met twee Nederlandse dames gesproken. Van al de pelgrims die ik zag lopen waren er toch verschillenden die iets aan hun voeten mankeerden.De vier Italiaanse jongens uit Firenze kwam ik onderweg ook nog tegen. Zij waren in topvorm. Zij begroetten mij en gingen gezwind verder.
In het stadje Melide aangekomen was het even zoeken naar de refugio. Ik liep door enkele winkelstraten die voorzien waren van verschillende visrestaurantjes. Het zag er allemaal smakelijk uit. Overal zat het overvol. Achteraan in één van de zijstraten aan de rand van het stadje zag ik uiteindelijk een rij wachtende pelgrims zitten. Daar was het te doen. Een grote groep zat in de voortuin van de refugio geduldig te wachten tot de deur openging. Ik ben er maar gaan bijzitten.
Na mijn dagelijkse was en plas ben ik het stadje ingetrokken. Er waren mooie straatjes en zoals in vele stadjes ook een mooie kerk. Zoals de meeste kerken in Spanje was ook deze hier de moeite waard om te bezoeken. Ze werd zeer goed onderhouden en ook hier kreeg ik een mooie stempel in mijn credential.
Niet ver van de kerk zag ik een bar. Van de grote dorst ben ik er een grote cerveza barril gaan drinken. Toen ik vroeg of er nog iets kon worden genuttigd, stuurde de patron mij naar de eerste verdieping, waar ik mij in een zeer verzorgd vertrek aan tafel zette. Na een tijdje werd de bestelling opgenomen: spagetti carbonare, paella, rode wijn, koffie. Samen met de pint van daarnet kostte dat mij 8,05 euro. Het eten smaakte mij voortreffelijk. Het was net dat wat ik nodig had. Nadien heb ik in de straten wat geslenterd. Uiteindelijk besloot ik terug naar de refugio te gaan om daar – zoals in Spanje gebruikelijk – te genieten van een siësta.
Rond zes uur heb ik zoals gewoonlijk Rita opgebeld. Nadien tegen de avond at ik wat brood met beleg, dat ik onderweg had gekocht. Om dit door te spoelen ging ik terug het centrum in om ergens een biertje te drinken. Ik zette mij bij een Duitser. Het bleek een Oost-Duitser te zijn met een Benedictijner kruis rond zijn hals. Toen ik vroeg wat dat betekende vertelde hij mij dat hij zeeman was geweest. Na het wegvallen van de muur had zijn vriendin hem verlaten en was hij op de dool geraakt. Na enige tijd belandde hij bij Benedictijners, die hem opvingen en hem voor een jaar een onderdak verleenden. Hij bracht zijn dagen door met arme mensen te helpen, voedsel-pakketten uit te delen en schilderijen te maken. Hij was daar niet alleen volledig tot rust gekomen, maar was er ook een ander mens geworden. Hij besloot om pater te worden en volgde een opleiding als novice. Met Kerstmis kreeg hij van zijn abt een reis als geschenk naar Compostela; maar wel te voet heen en terug. Indien hij nadien nog zou kiezen om pater te worden, was de abt bereid hem te wijden. Zijn tocht in Duitsland en Frankrijk liep niet altijd van een leien dakje. Hij heeft zoals vele pelgrims dikwijls op zijn tanden moeten bijten. Half juli zou hij in Compostela mee de diensten van het heilig jaar verzorgen. Hij hoopte nadien nog te voet in Fatima te geraken. Op zijn doorreis in Frankrijk was hij nog langs Lourdes geweest. Het was een zeer merkwaardige man die heel wat wist te vertellen. Nadien kwam er nog een Duitser bijzitten, die ik al eerder in de Refugio’s had ontmoet.
Toen ik ’s avonds in mijn bed lag, kwamen er nog Spanjaarden binnen in het slaapvertrek, waar ze eerder op de dag hun slaapzak – als vorm van reservering - op een bed hadden gelegd. Zij waren onder elkaar pelgrims belachelijk aan het maken. Het waren volgens mij toeristen met weinig bagage die er enkel maar op uit waren om van de goedkope accommodatie te profiteren. Ook zulke mensen lopen er tussen. Voor mij werd het toch nog een rustige nacht.
Dag 31 – donderdag 17/7/2004 - Van Melide naar Arzua
Om 06:15 u opgestaan toen bijna iedereen de kamer uit was. Na 2 potjes yoghurt met kokossmaak en een banaan ben ik - met de rugzak op de rug en vele goede moed maar met een zere voet - verder getrokken. Eerst ging ik terug de hoofdstraat in om dan naar rechts de pijlen te volgen over een brug en tussen de velden. Het stappen ging niet zo goed. Het duurde zeven kilometer tot in Castañeda voor ik aan een bar kwam waar ik mijn dagelijkse portie koffie kon drinken en een boccadillo met Franse omelet kon eten. Veiligheidshalve nam ik nog een pil Voltaren. Het ging toch niet zo vlot, tot ik enkele kilometer verder op een terras een cola dronk. Daar zaten ook nog enkele pelgrims, die klaarblijkelijk eveneens problemen aan de voeten hadden.
Toen ik daar verder ging begon het met mijn voet stilaan beter te worden. De pijn trok langzaam weg en het stappen ging goed. Ik had van daaruit nog maar 5 km te doen. In Arzua aangekomen ging ik eerst een elektriciteitswinkel binnen om nieuwe batterijen voor mijn fototoestel te kopen. Iets verder op de grote baan aan de overkant zag ik door de massa wachtende pelgrims de refugio liggen. Er stond al een massa volk aan te schuiven, waaronder veel groepen jongere mensen uit Spanje. In plaats van te gaan kamperen zijn er veel die in groep de laatste honderd kilometer van de Camino aflegden. De refugio’s in Galicië zijn gratis en men kan overal aan zeer schappelijke prijs eten.
Ik kwam daar in gesprek met mensen die ik daarvoor op een terras, waar ik een cola had gedronken, had zien zitten. Ik sprak één van hen in het Duits aan en hoorde direct dat hij geen Duitser was. Hij was een Nederlander en zijn compagnon was een Luxemburger. Terwijl ik wachtte had ik eveneens een gesprek met een Spanjaard en een Hongaar. De eerste deed zijn uiterste best zich verstaanbaar te maken door langzaam te praten en de gebarentaal te gebruiken, de andere sprak wat Engels. De groep met mentaal gehandicapten was eveneens aangekomen. Zoals de dagen daarvoor kwamen enkelen ervan mij zeer uitbundig begroeten.Dank zij al deze gesprekken werd het wachten minder vervelend.
In de refugio kreeg ik een bed in een grote kamer. In de middelste rijen stonden stapelbedden, aan de zijkant, waar ik mijn bed had, waren het bedden zonder bovenbed. Naast mij lag de Luxemburger en daarnaast de Nederlander. Zoals steeds begon ik aan de was en de plas, waarbij ik soms wat geduld moest opbrengen voor mensen – gewoonlijk dezelfde vrouwen - die mij net voor waren en die een zee van tijd nodig hadden om hun wasje te doen.
Geduld wordt beloond en na het vervullen van deze dagtaak, ging ik met de Nederlander en de Luxemburger het stadje in. Aan de rechterkant van een plein aan de overkant van de straat gingen we in een bar aan de toog iets drinken en een snack eten. Ik genoot van de heerlijke vissoep met brood en een glas witte wijn. In tegenstelling tot de rode wijn was deze helemaal niet koud. Dank zij de spiegel aan de muur achter de toog heb ik van ons drie een foto kunnen trekken. Na het eten slenterden we terug naar de refugio om wat te rusten.
In tussentijd had Georges mij een SMS-berichtje gestuurd met de melding dat hij in Compostela was aangekomen en dat hij daar in een reisagentschap een vliegtuig ticket bij Iberia lines aan de prijs van 201,84 euro had kunnen kopen. Hij mailde mij eveneens het adres van dit agentschap, wat voor mij een zeer bruikbare hint was.
’s Avonds ben ik met de Nederlander, die Ben heette, en de Luxemburger, met name Nicolas, gaan dineren. Op aanraden van Nicolas namen we alle drie Pulpo, wat een mengeling is van stukjes inktvis, geserveerd op schijfjes gekookte aardappelen en overgoten met een heerlijke vinaigrette. Het smaakte speciaal maar was wel lekker. Hier zaten we met ons drieën - een Benelux gezelschap – te genieten van deze heerlijke spijzen. We hadden het tijdens het eten vooral over de Europese politiek en over de situaties van de respectievelijke landen en het kunnen van hun politiekers. Natuurlijk spraken we ook over thuis. Nicolas bleek pas grootvader te zijn geworden. Zijn geluk kon niet op. Ben vertelde dat zijn zoon hem zeer erg miste. Na het eten hebben we nog wat door het centrum van het dorp gewandeld. Gans het dorp zat daar nog op straat vóór de deur of op het plein. Overal liepen er nog spelende kinderen rond. Het was heerlijk zwoel en vooral nog geen tijd om te gaan slapen. Dit was nu eens echt Spanje. Om ’s anderendaags toch een beetje fit te zijn, verkozen we toch maar richting bed te gaan om daar te gaan genieten van de nachtelijke rust.
Dag 32 – vrijdag 18/6/2004 - Van Arzua naar Arca
Ik ben iets na Ben en Nicolas opgestaan. Deze twee waren al verschillende dagen samen op weg en ik wou mij aan hen niet opdringen. Na het eten van een yoghurt en een banaan ben ik op stap gegaan. Het ging goed en ik had een goed ritme. Wel meer dan twee uur liep ik door weilanden, akkers en bossen alvorens ik aan een bar kwam, waar ik mijn eerste tas koffie kon drinken en mijn broodje met omelet kon eten. Vóór de bar op het terras trof ik Ben en Niklaas aan die zich juist klaarmaakten om op te stappen. Na een korte begroeting heb ik het mij daar even gemakkelijk gemaakt.
Het enige lastige dat steeds met mij onderweg was, waren mijn zere voet en mijn zware rugzak. Ik moest steeds opletten waar ik de rugzak samen met mijn stokken kon wegzetten zonder anderen te hinderen. Iets later ben ik ook maar verder gegaan. In een volgend dorp moest ik wachten voor een boer en een camionchauffeur die juist een koe in de laadbak aan het trekken waren. Het beest had er klaarblijkelijk geen zin in. Het duurde tamelijk lang voor de weg kon worden vrijgemaakt. Ik vond het helemaal niet erg, een tafereel als dit ziet men niet alle dagen en zeker niet bij ons op straat. Daar het intussen snikheet was geworden, ben ik om mijn krachten en mijn suikerspiegel op peil te houden onderweg nog een cola gaan drinken; iets wat ik thuis zelden of nooit doe.Uiteindelijk kwam ik in Arca aan. Het enige wat mij bijgebleven is is de grote straat. Ik moest deze straat links inslaan om enkele honderd meters verder aan de refugio te komen. Zoals de vorige dagen stond ook hier een enorme rij van wachtende rugzakken omringd met vele bekende gezichten zoals de gehandicapten, Ben, Nicolas, tot mijn grote verwondering Katrien en natuurlijk ook verschillende Spanjaarden die ik de laatste dagen geregeld had opgemerkt. Toen ik daar stond te wachten zag ik een groep jongeren aankomen vergezeld van een kleine pater in pij en een Damiaan hoed op zijn hoofd. Aan zijn stralend gezicht kon men zien dat hij van zijn wandelpartij genoot.Toen Katrien mij zag, kwam ze direct naar mij. Het was een eeuwigheid geleden dat ik haar nog had gezien. We spraken af om na de was en de plas en vóór de siësta ergens iets te gaan drinken. Bij de receptie na de stempel kreeg ik bed 34 toegewezen. Boven in het slaapvertrek aangekomen merkte ik dat dit bed reeds bezet was. Ok, geen probleem, ik nam het enige vrije bovenbed dat er in die hoek vrij was. Toen ik Katrien vroeg waar zij sliep duidde zij het bed aan onder dat van mij. Achter mij sliep de Duitser van Frankfurt die ik de laatste dagen in de slaapvertrekken had opgemerkt.
De bar waar Katrien en ik iets gingen drinken was een kale moderne bedoening. Er was daar zeer veel te krijgen behalve gezelligheid. We dronken iets, en aten een knabbel terwijl we elkaar onze wederzijdse verhalen vertelden. Nadien werd het tijd om siësta te houden. Om zes uur belde ik zoals gewoonlijk Rita op. Zoals ik was ook zij reeds aan het aftellen.Na de siësta vertelde Katrien, die bijna iedereen kende en van iedereen het fijne wist, dat het patertje in de kerk iets verder in het dorp een mis in het Zweeds ging opdragen. Hijzelf was Spanjaard, die samen met Zweedse jongeren de Camino bewandelde. Zij stelde voor daar naar toe te gaan. Ik vond dit geen slecht idee. Aan de overkant van de straat zag ik Ruth. Het was geleden van in Ponferrada dat ik haar nog had gezien. Ik vertelde haar waar wij naartoe gingen en ze besloot mee te gaan. Ze vertelde dat ze die dag meer dan dertig kilometer had gestapt en behoorlijk moe was. Zij had onderkomen gevonden in een grote tent op het plein, die men had opgesteld omdat in de refugio alles volzet was.Van het Zweeds tijdens de eucharistieviering heb ik nauwelijks iets begrepen. Gelukkig waren de gezangen in het Latijn, waarvan ik de meeste nog kende vanuit mijn jeugdjaren. De homilie die gehouden werd door een Deense diaken was in het Engels en zeer goed verstaanbaar. Hij sprak over vriendschap en dienstbaarheid onder de mensen.Na de dienst spraken Katrien, Ruth en ik af om ergens te gaan eten. Katrien wachtte nog op twee Nederlanders waarmee zij in de loop van de dag had afgesproken. Voor ik naar de mis ging had Ben mij verteld dat hij naar de plaatselijke medische dienst was geweest omdat hij genoot van twee zwerende tenen. De dokter had zijn tenen in een verband gelegd en hem een dosis antibiotica gegeven. Na de mis heb ik hem noch Nicolas nog ontmoet.Ruth wist te vertellen dat iets verder op de baan, aan een benzine station, waar de Camino op uitkwam, een restaurant was waar paella te verkrijgen was. Bij deze gedachten kwam het water mij in de mond en we gingen er met zijn allen hoopvol naar toe. De garçon liet ons weten dat deze preparatie wel enige tijd in beslag zou nemen. We vonden het niet erg. We beschikten toch al over een mand brood en een fles wijn en wetende dat het wat ging duren wisten we dat het eten vers werd klaargemaakt. Eén van de Nederlanders, die diabeet bleek te zijn, had zich kort daarvoor met insuline ingespoten. Hij was genoodzaakt om zijn suikerspiegel op peil te houden door een portie brood te verorberen.Effectief, na drie kwartier kwam men met een dampende pan paella aan. We kregen elk een portie. Die van mij was nogal klein en Ruth maakte er zich zorgen over. Het was helemaal niet erg. Er was nog genoeg in de pan. Deze paella was overheerlijk. Na deze pan kwam er nog een tweede. Zo lekker had ik tot hiertoe in Spanje nog niet gegeten.
Gezelligheid kent geen tijd. Het werd half twaalf voor we het wisten. Daar wij in principe ten laatste om elf uur in de refugio moesten zijn, besloten we maar om op te stappen. Er zat nog Spaans een gezelschap van de refugio aan de andere kant van het restaurant. We hoefden ons daarom niet ongerust te maken. We namen afscheid van elkaar, wetende dat het hoogstwaarschijnlijk de laatste keer was dat we elkaar hadden ontmoet. Ja, morgen zou het de laatste etappe worden richting Compostela. Iets na 11:30u kroop ik in mijn bovenbed in de hoop te genieten van een welverdiende nachtrust.
Dag 33 – zaterdag 19/6/2004 - Van Arca naar Compostela
Om zes uur was ik uit bed. Ik nam alle tijd om me klaar te maken. De meeste Spanjaarden waren al rond vijf uur vertrokken. Ergens in de hoek lag er nog iemand te snurken. Zijn muzikale kwaliteiten heb ik die nacht af en toe mogen beluisteren en vervloeken. De Duitser uit Frankfurt – niet te verwarren met Willy - vertrok reeds toen ik mijn rugzak nog aan het schikken was en Katrien werd stilaan wakker. Zij had klaarblijkelijk heel veel tijd nodig om haar ogen te openen.Normaler wijze moest ik naar rechts -een stuk terug vanwaar ik de dag daarvoor gekomen was - tot aan het restaurant waar we hadden gegeten. Van daar waren er gele pijlen die de richting van de Camino aanduidden. Ik ging echter naar links.
Op mijn kaart stond aangegeven dat de Camino enkele kilometers verder deze baan zou kruisen. Achteraf had ik spijt dat ik van in begin de pijlen niet had gevolgd. Onderweg passeerden mij veel te veel vrachtwagens en dat op een zaterdag morgen. Het weer was bijlange zo warm niet meer. Mijn voet liet het afweten. Het stappen deed pijn en was helemaal niet gezellig, het was er eerder gevaarlijk. Uiteindelijk kwam ik in Amenal aan, het punt waar de Camino de baan C547 kruiste. Vanaf daar kon ik terug de Camino volgen. Aan San Paio - voorbij het vliegveld - zag ik een bar. Ik wou er eens rustig een tas koffie gaan drinken, maar had echter niet met de massa dagjestoeristen gerekend. Ik moest bijna een kwartier wachten op mijn toast en koffie. Er was teveel lawaai en de sfeer die ik de voorbije maand onderweg had opgesnoven was daar helemaal zoek. Hoe dichter ik Compostela naderde hoe meer toeristen ik zag wandelen. Via een omweg, omwille van een tijdelijke omleiding van de Camino, kwam ik aan de Monte del Gozo met haar monument. Iets verder lag een gigantische refugio met een capaciteit van 800 bedden. Toen ik van het monument een foto had genomen, stelde een dame mij voor een foto te nemen waar ik mee op zou staan. De vrouw die het had voorgesteld gaf het toestel door aan haar man, daar het een elektronisch fototoestel was en ze schrik had er niets van terecht te brengen. Na het nemen van twee foto’s vertelde hij dat ze Schotten waren en al enkele jaren in Spanje woonden. Hij vroeg mij waar ik met de Camino begonnen was. Toen ik hem vertelde dat ik in Saint Jean Pied de Port was gestart zei hij met zeer veel respect: “Well done, well done!”Wat mij opviel was dat ik de laatste dagen mijn rugzak nog nauwelijks voelde. Mijn rug bleek er precies aan gewoon te zijn geworden.
Ik zette mijn weg verder. Aan een brug over de autostrade zag ik de naamplaat van Compostela. Hiervan moest ik natuurlijk een foto nemen. Van daaruit was het nog enkele kilometers tot in het oude stadsgedeelte. Het duurde een hele poos alvorens ik de kathedraal kon ontwaren. Nergens was er nog een pijl aangebracht. Na een tijd zoeken vond ik uiteindelijk het bureel waar ik mijn laatste stempel kon gaan halen en waar ik mijn oorkonde zou krijgen.Ik schoof daar aan. Er stond een massa volk vóór mij. Het duurde een tijd voor ik mijn boekje kon afgeven. Ze controleerden het nauwgezet en zetten er een stempel in. Eveneens kreeg ik een attest dat ik de Camino had afgelegd. In een winkel aan de overkant kocht ik een kartonnen huls waarin ik dit kostbaar document kon bewaren.Het werd tijd dat ik het reisagentschap, dat Georges mij via een SMS had opgegeven, ging opzoeken. Na wat zoekwerk vond ik het niet ver van het park. Dit agentschap had juist een kwartier geleden haar deuren gesloten. Ze waren eerst maandagmiddag terug open. Nu was ik wel genoodzaakt om een onderkomen te gaan zoeken en dan nog wel een voor twee nachten. Ik kuierde rond de kathedraal en vond in een zijstraat Via Sacra genaamd op nr. 2 een hotelletje met de naam San Paleyo. Er kwam juist iemand buiten. Op mijn vraag of er nog plaats was, raadde hij mij aan te bellen en het de patron te vragen. Ik deed dit en waarachtig er kwam een man die er als de patron uitzag. Hij sprak voor een Spanjaard vrij goed Duits en vertelde mij dat hij nog een kamer vrij had voor mij alleen, weliswaar één met twee bedden. Dit was voor mij helemaal geen probleem.
Ik installeerde mij in kamer 304 en voelde mij al een heel pak beter. Om 18:00u zou er in de kathedraal een dienst worden opgedragen waarin de pelgrims zouden worden vermeld; zo had men mij verteld toen ik mijn attest was gaan halen. Bij de toeristische dienst van de stad had ik een telefoonnummer gekregen van de Iberia-lines nl. 902-400500. De man aan de balie verzekerde mij dat ze daar vloeiend Engels spraken omdat ik hem vertelde dat ik geen Spaans verstond. Terug op mijn kamer draaide ik met de GSM deze nummer en effectief ik kreeg een vriendelijke dame aan de lijn die zeer goed Engels sprak. Ik vroeg of ik zondag met een vliegtuig naar Brussel zou kunnen vliegen. Dit was geen probleem. Ze had nog een directe vlucht, maar wel business class. Hierop antwoordde ik dat ik maar een arme pelgrim was en dat dit voor mij te duur was. Ze had ook nog een gewone vlucht richting Madrid om 13:14u en vandaar een vlucht richting Brussel om 16:20u. Ik zou rond 18:35u in Zaventem aankomen. Voor mij was dit OK. Zij gaf mij reservatienummer 2IZTUB en vluchtnummer IB.567. Het zou mij 197,84 euro kosten. Ik kon dit ‘s anderendaags aan de balie van de luchthaven betalen.Ik ging naar de patron van het verblijf en vertelde hem dat ik zondag reeds naar huis kon; dus maar één dag slapen i.p.v. twee. Dit was voor hem helemaal geen probleem. Ik ben steeds bereid pelgrims te helpen was zijn antwoord. Hij gaf mij mijn identiteitskaart terug, die ik eerder voor inschrijving had moeten afgeven en beloofde mij zondag tegen 12:30 u een taxi te bestellen. Dit goed nieuws heb ik uiteraard aan Rita direct doorgebeld.Mijn dag kon niet meer stuk.
Ik ging met een opgelucht gevoel naar de kathedraal om de dienst bij te wonen, waar ik juist op tijd aankwam. Alle zitplaatsen waren daar reeds bezet door dagtoeristen. De meeste mensen die moesten rechtstaan waren oververmoeide pelgrims. Na een tijdje gingen we toch maar op de grond zitten met de rug tegen een pilaar. Ik had een plaatsje gevonden naast Ben en Nicolas. De homilie werd verzorgd door een zuster en vervolgens nog door vijf priesters. Het duurde enorm lang. Daar ik van dat Spaans geen woord begreep begon het mij na een tijd te vervelen. Uiteindelijk waren de priesters uitgesproken en kon de mis worden verder gezet. De rest van de dienst verliep zeer vlot. Alle landen werden vernoemd met het aantal pelgrims die hiervan aanwezig waren. Na de dienst liep iedereen naar voor. Ik vroeg mij af wat er aan het gebeuren was, maar realiseerde me plots dat nu het groot wierookvat aan bod ging komen. Begeleid met zeer mooie orgelmuziek werd dit zeer groot vat van links naar rechts door de kerk geslingerd. Alhoewel ik wist dat dit bestond, was het toch nog sensationeel. Het was iets unieks dat ik voordien nog nooit had gezien. Bij het buitengaan kwam ik Katrien met haar twee Nederlanders nog tegen. We waren allemaal onder de indruk.Ben en Nicolas zochten voor het avondmaal naar een restaurant. Zij vonden het goed dat ik mee ging eten. Vlak bij mijn hotelletje vonden we een gezellige stek, waar we inktvisringen met kroketten aten en nadien Merluza (gebakken vis) met gekookte aardappelen. Hier was de wijn niet zo goedkoop meer, daarom beperkten we ons elk tot twee glazen.Om 10:30u kroop ik moe maar voldaan in bed met het voornemen eens goed uit te slapen; zonder gestoord te worden van snurkers en vroege vogels.
Dag 34 – zondag 20/6/2004 - Van Compostela naar Hoevenen
Om 00:40 werd ik gewekt door het gepiep van mijn GSM. Ik dacht al dat het tijd was om op te staan, maar het was een bericht van Georges en van ons Ines om mij proficiat te wensen. Het duurde even voor ik terug de slaap kon vatten en werd nadien rond 8:30 wakker. Na een deugddoende douche heb ik mij klaar gemaakt en ben ik ergens koffie gaan drinken en een croissant en een croque monsieur gaan eten. Daarna heb ik van de kathedraal nog enkele foto’s genomen. Onderweg kwam ik de Duitser van Frankfurt nog eens tegen. We vertelden over onze tocht en over San Juan de Ortega met het vriendelijk pastoortje en over de vuile slaapzaal. Hij was daar looksoep gaan eten, die aangebrand was.
Het werd voor mij tijd en we namen van elkaar afscheid. Ik ging terug naar mijn kamer om alles in gereedheid te brengen om op tijd te kunnen vertrekken. Vroeg genoeg ging ik gepakt en gezakt vóór de deur van het pension staan. Om vijf voor half één hoorde ik een taxi aankomen. Het was een hele opluchting toen ik de man kon vertellen om mij naar de Aeropuerto te brengen. Daar aangekomen meldde ik mij aan de balie. Ik liet er de reservatie- en vluchtnummer zien en kreeg na enige administratieve verwerking mijn tickets, waarvoor ik het overeengekomen bedrag betaalde. Toen vroeg die dame of ik niet geïnteresseerd was in een directe vlucht naar Brussel, evenwel met een tussenlanding in Barcelona maar in business class. Ik vroeg of dit aan dezelfde prijs was en zij knikte bevestigend. Toen zij mij hiervoor een aangepast ticket gaf, begaf ik mij naar de bagageplaats waar ik mijn rugzak moest afgeven om me nadien naar de aangegeven opstapplaats te begeven.
In het vliegtuig zat ik vooraan in het compartiment Business Class tussen enkele gegadigden. Tijdens de vlucht naar Barcelona kreeg ik een serie tappas met een kwart litertje rode wijn.In Barcelona aangekomen moesten we uitstappen om naar een andere kade te gaan. Daar aangekomen kon ik kort daarop in hetzelfde vliegtuig in dezelfde zetel plaats nemen. De twee piloten die daarvoor naast mij zaten waren er niet meer. Tijdens deze vlucht werd mij een ganse diner geserveerd. De wijn was lekker en de cognac nadien moest er zeker niet voor onderdoen. Dank zij deze maaltijd was het precies of de vlucht verliep veel vlugger dan ik had verwacht. In Zaventem aangekomen moest ik op weg naar de bagageplaats, om mijn rugzak op te halen. Hierdoor had ik nog een hele weg af te leggen. Uiteindelijk kwam ik aan de transportband en na een poos wachten zag ik mijn rugzak te voorschijn komen. Met de rugzak op de rug ben ik toen op zoek gegaan naar Rita, die mij al van ver had zien aankomen. De ontmoeting was zeer ontroerend.
Ik voelde mij opgelucht dat alles uiteindelijk goed was afgelopen. Deze ontmoeting was voor mij het hoogtepunt van mijn Camino. Na een innige omhelzing zag ik onze pa – de vader van Rita - aankomen. Hij had mij eerst niet herkend en bleek nog naar mij te zoeken. Na een kort relaas zijn we samen naar de auto gegaan om van daar naar huis te rijden. Rita had van alles lekkers klaargemaakt. Wie kon dat weten dat ik een diner zou krijgen aan boord. Ik heb van alles een beetje meegegeten, maar veel kon er niet meer in. Rita vond het niet erg. De champagne hebben we voor de helft opgedronken. De andere helft planden we – dank zij een draaistopje - de dag daarop soldaat te maken. We waren zeer blij dat alles achter de rug was en vooral omdat het uiteindelijk allemaal toch nog goed was afgelopen. Ze hadden zich thuis natuurlijk zorgen gemaakt om het avontuur met mijn voet. Vanaf dan af werd de Camino en het grootste deel van de mensen die ik onderweg ontmoette voor mij een herinnering die ik nooit meer zal vergeten.
EINDE
TOP